vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster II Handelszaken Breda zaaknummer / rolnummer: C/02/418891 / HA ZA 24-76 Vonnis van 20 november 2024 in de zaak van 1. de vennootschap naar vreemd recht [eiser 1] LLC, gevestigd te [plaats 1] (Verenigde Staten van Amerika), 2. [eiser 2], wonende te [plaats 2] (Verenigde Staten van Amerika), 3. [eiser 3], wonende te [plaats 3] (Mexico), eisers, advocaat mr. M. Kupperman te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats 4] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] BV, gevestigd te [plaats 4] , gedaagden, advocaat mr. P.J.P. van Huizen te Rotterdam. Eisers zullen afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 26 juni 2024 de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling op 4 oktober 2024 en de bij die gelegenheid door eisers overgelegde spreekaantekeningen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser 1] is leverancier van limoenen. [eiser 2] is bestuurder en groot aandeelhouder van [eiser 1] . 2.2. [gedaagde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is opgericht op 29 november 2017. Als activiteiten van [gedaagde 2] staan bij de Kamer van Koophandel vermeld: ‘Het oprichten, verkrijgen en vervreemden van vennootschappen, rechtspersonen en ondernemingen, het verkrijgen en vervreemden van belangen daarin en het beheren of doen beheren, en het voeren of doen voeren van bestuur over vennootschappen, rechtspersonen en ondernemingen en het financieren of doen financieren daarvan’ 2.3. Op 29 november 2017 is tevens de vennootschap [bedrijf ] BV (hierna: [bedrijf ] ) opgericht met als aandeelhouders [eiser 1] voor 66% en [gedaagde 2] voor 34%. [gedaagde 2] was samen met [gedaagde 1] zelfstandig bevoegd en de enige bestuurder van [bedrijf ] . [bedrijf ] was (onder andere) voor [eiser 1] distributeur van limoenen in Europa. 2.4. Op 7 maart 2023 hebben [eiser 1] en [gedaagde 2] een ‘Buy and Sell Stocks Contract’ (hierna: de overeenkomst) gesloten waarbij [eiser 1] haar aandelen in [bedrijf ] verkoopt aan [gedaagde 2] voor een bedrag van € 100.000,00. In artikel 3 van de overeenkomst is het volgende bepaald. [afbeelding geanonimiseerd] In artikel 4.5 van de overeenkomst is het volgende bepaald. [afbeelding geanonimiseerd] 2.5. Op 18 april 2023 is [bedrijf ] in staat van faillissement verklaard. 2.6. De koopsom van € 100.000,00 is niet door [gedaagde 2] of [gedaagde 1] aan [eiser 1] voldaan. 2.7. [gedaagde 2] heeft het bedrag van USD 3.300,00 niet aan [eiser 3] voldaan. 2.8. Bij brief van 7 december 2023 is [gedaagde 2] namens [eiser 1] en [eiser 3] gesommeerd om binnen 7 dagen en dus niet later dan 14 december 2023 te betalen. Betaling is uitgebleven. 2.9. Op 28 december 2023 is conservatoir beslag gelegd. 2.10. Bij brief van 13 maart 2024 heeft de echtgenote van [gedaagde 1] het hoofdelijk medeschuldenaarschap dat [gedaagde 1] in de overeenkomst is aangegaan op grond van artikel 1:89 lid 1 BW vernietigd. 2.11. Bij e-mail van 16 maart 2024 heeft [gedaagde 2] de overeenkomst ontbonden. 3Het geschil 3.1. Eisers vorderen bij vonnis, na vermindering van eis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk, des dat de een betalend, de ander tot het bedrag van die betaling bevrijd zal zijn, uit hoofde van de overeenkomst te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met een rente van 12% over de hoofdsom, ingaande 7 september 2023, althans de dag van dagvaarding, tot en met de dag van algehele betaling; 2. [gedaagde 2] uit hoofde van de overeenkomst te veroordelen tot betaling aan [eiser 3] van een bedrag van USD 3.300,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, ingaande 14 december 2023, althans de dag van de dagvaarding, tot en met de dag van algehele betaling; 3. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van dit geding, waaronder de kosten van de op 28 december 2023 gelegde beslagen, proceskosten en nakosten, en meer specifiek [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te veroordelen tot vergoeding van alle door eisers gemaakte kosten, waaronder de werkelijke kosten van vertegenwoordiging in rechte, vast te stellen op grond van door eisers over te leggen declaraties en stukken, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag. 3.2. Eisers gronden de vorderingen op nakoming van de overeenkomst. [eiser 1] stelt dat [gedaagde 2] op grond van de eerste alinea van artikel 3 van de overeenkomst gehouden is om uiterlijk 7 september 2023 de koopsom van € 100.000,00 aan [eiser 1] te voldoen. Op grond van de tweede en derde alinea van artikel 3 van de overeenkomst is [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de koopsom van € 100.000,00 aan [eiser 1] . In artikel 4.5 van de overeenkomst is overeengekomen dat [gedaagde 2] gehouden is om aan [eiser 3] een bedrag van USD 3.000,00 te betalen. 3.3. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voeren als verweer aan dat de overeenkomst op 16 maart 2024 is ontbonden wegens non-conformiteit. [gedaagde 1] betwist dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de koopsom van € 100.000,00. Het hoofdelijk medeschuldenaarschap is niet aangegaan in de normale uitoefening van het bedrijf van [gedaagde 2] , zodat op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW toestemming van de echtgenote van [gedaagde 1] is vereist. Deze toestemming ontbreekt en de echtgenote van [gedaagde 1] heeft op grond artikel 1:89 lid 1 BW deze rechtshandeling daarom vernietigd. [gedaagde 2] erkent dat zij een bedrag van USD 3.000,00 is verschuldigd aan [eiser 3] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1. De zaak betreft een internationaal geschil. De rechtbank acht zich bevoegd van het geschil kennis te nemen en zal Nederlands recht toepassen. In artikel 8.2 van de overeenkomst is bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en in artikel 7.9 dat Nederlands recht van toepassing is. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de Nederlandse rechter bevoegd is het geschil naar Nederlands recht te beoordelen. vordering 1 4.2. Tussen partijen staat vast dat op 7 maart 2023 is overeengekomen dat [gedaagde 2] de koopsom van € 100.000,00 voor de aandelen in [bedrijf ] uiterlijk 7 september 2023 aan [eiser 1] moest voldoen en dat [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de koopsom van € 100.000,00. Vaststaat verder dat [gedaagde 2] de koopsom niet heeft voldaan. [gedaagde 2] is dan ook gehouden de koopsom te voldoen, tenzij het beroep op ontbinding slaagt. [gedaagde 1] is gehouden de koopsom te voldoen, tenzij het beroep op ontbinding of het beroep op vernietiging slaagt. het beroep op ontbinding 4.3. Het door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gedane beroep op ontbinding van de overeenkomst met [eiser 1] betreft een bevrijdend verweer. Het is dus aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat er een rechtsgeldig beroep op ontbinding is gedaan. 4.4. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] stellen dat de overeenkomst op 16 maart 2024 rechtsgeldig is ontbonden wegens non-conformiteit. Door het faillissement van [bedrijf ] zijn de aandelen van [eiser 1] in [bedrijf ] non-conform geworden. Het was namelijk niet de bedoeling dat [gedaagde 2] aandelen in een failliete vennootschap zou verwerven. 4.5. [eiser 1] betwist dat sprake is van non-conformiteit. [gedaagde 2] wist als medeaandeelhouder en bestuurder van [bedrijf ] precies welke eigenschappen de aandelen van [bedrijf ] gezien hun aard zouden hebben, te weten: aandelen in een technisch failliete vennootschap. Het faillissement is ontstaan door het door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gevoerde beleid. De consequenties hiervan kunnen niet worden afgeschoven op [gedaagde 2] . 4.6. Volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was geen sprake van een technisch failliete vennootschap. Dit blijkt volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] uit de omstandigheid dat een derde partij bereid was om € 1.5 miljoen voor alle aandelen in [bedrijf ] te betalen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] stellen verder dat [bedrijf ] was overgegaan op factoring waarmee een faillissement had kunnen worden voorkomen. 4.7. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:17 BW mag een koper verwachten dat een zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. De zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de mededelingen van de verkoper, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten (artikel 7:17 lid 2 BW). Of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. De koper kan geen beroep doen op non-conformiteit als dit hem bij het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn (artikel 7:17 lid 5 BW). Deze bepalingen zijn ook van toepassing op aandelen (artikel 7:47 BW). 4.8. Vaststaat dat [gedaagde 2] zelf al 33% van de aandelen in [bedrijf ] had toen zij de overige aandelen van [eiser 1] kocht. [gedaagde 2] was samen met [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf ] en bepaalde het beleid. [gedaagde 2] was dus bij uitstek op de hoogte van de financiële situatie van [bedrijf ] . Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] ook verklaard dat het op het moment van het sluiten van de overeenkomst financieel niet goed ging met [bedrijf ] . Op de mondelinge behandeling is verder gebleken dat [bedrijf ] op 7 maart 2023 meerdere onbetaalde schuldeisers had. [bedrijf ] verkeerde dus in een toestand dat zij had opgehouden te betalen (artikel 6 lid 3 Fw). Op 7 maart 2023 bestond dus al de mogelijkheid dat het faillissement van [bedrijf ] zou worden aangevraagd en uitgesproken. Dit wordt onderschreven door de omstandigheid dat het faillissement ook kort daarna, op 18 april 2023, is uitgesproken. Dat [bedrijf ] was overgegaan tot factoring leidt in het licht van het vorenstaande niet tot de conclusie dat [gedaagde 2] een faillissement niet op korte termijn hoefde te verwachten. Dit geldt ook ten aanzien van de omstandigheid dat een derde partij bereid was om € 1.5 miljoen voor alle aandelen in [bedrijf ] te betalen. Dit geldt temeer nu [gedaagde 2] zelf bereid was om ‘slechts’ € 100.000,00 voor 66% van de aandelen te betalen. In het licht van alle omstandigheden had het op de weg van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gelegen om nader te onderbouwen dat het bod van € 1,5 miljoen reëel was en dat [gedaagde 2] een faillissement niet op korte termijn kon verwachten. Dit hebben zij nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank wist [gedaagde 2] op 7 maart 2023, althans had zij redelijkerwijs kunnen weten, dat [bedrijf ] op korte termijn failliet zou kunnen gaan. [gedaagde 2] kan daarom geen beroep doen op non-conformiteit. De overeenkomst is dan ook niet rechtsgeldig ontbonden. 4.9. Dit betekent dat [gedaagde 2] is gehouden de koopsom van € 100.000,00 aan [eiser 1] te voldoen. Wat partijen voor het overige ten aanzien van dit punt nog hebben aangevoerd, hoeft daarom niet meer besproken te worden. het beroep op vernietiging 4.10. Artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW bepaalt dat een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft voor (onder meer) overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Artikel 1:88 lid 5 BW bevat een uitzondering op dat toestemmingsvereiste: de toestemming van de andere echtgenoot is alleen dan niet vereist indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.