← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:8472

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7229 WET VV uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2024 in de zaak tussen Middenweg B.V., uit Andel , verzoekster (gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. Inleiding 1.

  1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 28 augustus 2024, waarbij een boete is opgelegd wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en is besloten tot openbaarmaking van een aantal inspectiegegevens. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tot zes weken na nadat op bezwaar is beslist. 1.
  2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.
  3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid). 2.2 Aan verzoekster is een boete van € 36.000,- opgelegd vanwege overtreding van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag. Daarnaast is in het bestreden besluit bepaald dat een aantal inspectiegegevens en opgelegde boetes openbaar worden gemaakt. 2.
  4. Uit het door verzoekster overgelegde bezwaarschrift en de zienswijze maakt de voorzieningenrechter op dat de bezwaren van verzoekster zich richten tegen het besluit, maar dat er geen aparte gronden zijn gericht tegen de openbaarmaking van gegevens, tien dagen na de dagtekening van het bestreden besluit. Hierin is het spoedeisend belang kennelijk niet gelegen. 2.
  5. De voorzieningenrechter overweegt dat het opleggen van een boete een financieel belang vertegenwoordigt voor verzoekster. Een zodanig belang vormt op zichzelf geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster kan financiële compensatie vorderen van het bestuursorgaan als het boetebesluit onrechtmatig blijkt te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal niettemin in de rede liggen als het financiële belang van dien aard is dat de vermogenspositie zodanig wordt beïnvloed dat de bedrijfsvoering hierdoor in ernstige problemen zou komen. De voorzieningenrechter heeft verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten en cijfermatig te onderbouwen. Uit de nadere toelichting op het spoedeisend belang kan de voorzieningenrechter niet afleiden dat sprake is van een zodanige aantasting van de vermogenspositie, dat een voorziening moet worden getroffen. 2.
  6. Een spoedeisend belang kan ook gelegen zijn in de onmiskenbare onrechtmatigheid van de bestreden besluitvorming. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is dat het standpunt dat verzoekster inneemt. De door verzoekster aangevoerde argumenten hebben de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het bestreden besluit jegens verzoekster onmiskenbaar onrechtmatig is. De enkele stelling dat er geen begin van bewijs van overtreding van de wet is, is daartoe onvoldoende. Verzoekster heeft geen andere reden aangevoerd waarom het bestreden besluit moet worden geschorst en de behandeling van de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de hoorzitting in bezwaar op 20 november jongstleden heeft plaatsgevonden. De beslissing op bezwaar zal naar verwachting binnen zes weken worden genomen. 2.
  7. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Conclusie en gevolgen
  8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 2 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier Voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.