RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/404194 FA RK 22-5554 Datum uitspraak: 6 december 2024 Nadere beschikking betreffende gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. I.P.M.J. Nelemans te Breda, en [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg. Over de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De rechtbank merkt als informant aan: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de restende verzoeken geadviseerd. 1Het (verdere) procesverloop 1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de in deze zaak gegeven beschikking van 30 juni 2023 en alle daarin genoemde stukken; - het e-mailbericht van [jeugdhulp] van 21 maart 2024; - het UHA-rapport van 1 februari 2024, ingekomen bij de griffie op 28 maart 2024; - de brief van de Raad van 19 april 2024, ingekomen bij de griffie op 22 april 2024; - het raadsrapport van 22 oktober 2024, ingekomen bij de griffie op 23 oktober 2024; - de brief met bijlage van mr. Van Laarhoven, ingekomen bij de griffie op 3 oktober 2024. 1.2 Op 27 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. P. van der Meulen als waarnemend advocaat voor mr. Nelemans, de man en zijn advocaat, een medewerkster namens de Raad en een vertegenwoordigster van de GI. 1.3 Tevens is met bijzondere toestemming van de rechtbank als toehoorder aanwezig een collega van mr. Van der Meulen. 1.4 Gelet op de nauwe samenhang tussen de restende verzoeken van partijen in deze zaak en het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/427963 / JE RK 24-1927, zijn de zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking van heden beslist. 2De feiten 2.1 Bij voormelde beschikking van 30 juni 2023 - en voor zover hier van belang - zijn partijen verwezen naar een zorgtraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA). Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 9 december 2022 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 236,= (tweehonderdzesendertig euro) per maand. 2.2 De rechtbank heeft op 28 maart 2024 het UHA-rapport ontvangen. Gebleken is, zakelijk weergegeven, dat de gestelde doelen niet zijn behaald. Er zijn zorgen rondom de gehechtheid van [minderjarige] aan de man. Zij hebben geen contact met elkaar kunnen opbouwen. Partijen houden vast aan hun eigen standpunt en de gezamenlijke belangen van hun rol als ouders zien zij niet in. Partijen hebben een concrete uitspraak van de rechtbank nodig om de omgang en de samenwerking te regelen. Er zou daarbij een voorlopige regeling van kracht kunnen zijn. Er zijn geen contra-indicaties voor de omgang. Er is systeemtherapeutische interventie vanuit [psychotherapeut] gestart op 27 december 2023. Daarbij is de focus gelegd op de eerste stap in de omgang tussen de man en [minderjarige] . Het opzetten van de informatie-uitwisseling tussen de ouders is daarbij een eerste fase. Belangrijk daarin is, is dat de vrouw de man blijft informeren over ontwikkelingen van [minderjarige] en haar dagelijkse routine. 2.3 Bij brief van 19 april 2024 bericht de Raad de rechtbank dat een gezag- en omgangsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Er leek een positieve start te zijn gemaakt met het UHA-traject. Beide ouders stonden open voor hulpverlening en de vrouw stond open voor begeleide omgang. Tussen de man en de hulpverlening is er een breuk ontstaan in het vertrouwen. Begeleide omgang is niet van de grond gekomen. Er bestaan zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen de man en [minderjarige] en ook is voor de Raad de veiligheid van [minderjarige] onduidelijk. Doordat partijen niet met elkaar samenwerken en de vrouw geconfronteerd lijkt te worden met geweld vanuit de man, heeft de Raad zorgen over de situatie en de ontwikkeling van [minderjarige] . 2.4 Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van het Raadsrapport van 22 oktober 2024 waarin de Raad, kort samengevat, het volgende concludeert. Partijen zijn teleurgesteld in elkaar en zij uiten over en weer veel verwijten. Er is tussen partijen sprake (geweest) van fysiek en verbaal geweld waar [minderjarige] getuige van was. Het lukt partijen niet om tot samenwerking en constructieve ouderschapscommunicatie te komen. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt ten aanzien van een tijdelijke omgangsregeling, het vermijden van het hebben van contact tussen partijen en het contact van partijen onderling. Er zijn voldoende elementen in de opvoedomgeving van [minderjarige] aanwezig voor een veilige en gezonde ontwikkeling. De wijze waarop partijen het ouderschap vormgeven is grillig en onvoorspelbaar waardoor [minderjarige] opgroeit in een onveilige opvoedsituatie. Ten aanzien van de omgang adviseert de Raad om een voorlopige omgangsregeling vast te leggen, waarbij de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar iedere zondagmiddag van 15.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij oma (moederszijde) en haar daar ook weer terugbrengt. Onder regie van de GI kan de omgangsregeling worden uitgebreid. Ten aanzien van het gezag adviseert de Raad een wijziging van eenhoofdig gezag van de vrouw naar gezamenlijk gezag. 2.5 Bij beschikking van 6 december 2024, in de zaak met kenmerk C/02/427963 / JE RK 24-1927, heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden, met ingang van 6 december 2024 tot 6 juni 2025. 3De resterende verzoeken 3.1 Thans liggen nog ter beoordeling voor de volgende resterende verzoeken van de man om: - te bepalen dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenen; - een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. 4De (nadere) standpunten 4.1. Ter onderbouwing van zijn resterende verzoeken wordt door en namens de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het gezag dient de conclusie uit het raadsrapport te worden gevolgd. Het uitgangspunt is dat beide ouders belast zijn met het ouderlijk gezag, tenzij sprake is van ernstige contra-indicaties en die zijn er niet. Partijen hebben hierover inmiddels samen overeenstemming bereikt. De benodigde formulieren hebben zij ingevuld. Deze zullen aan de rechtbank worden nagezonden. De man wil graag betrokken zijn bij de zorg voor [minderjarige] en daarom verzoekt hij tevens een contactregeling vast te stellen. De man ziet [minderjarige] nu regelmatig en zij bouwen een band met elkaar op. De omgangsregeling zoals deze nu is, te weten twee uur per week, dient uitgebreid te worden. Op dit moment haalt en brengt de man [minderjarige] op bij oma (mz). De totale reistijd die hiermee is gemoeid, bedraagt ongeveer één uur. Hierdoor blijft er feitelijk één uur omgang over. In de visie van de man doet dit geen recht aan de omstandigheden. Hij is met deze beperkte regeling niet in staat om zijn rol als vader in te vullen. De man bepleit dan ook een uitbereiding van de omgangsregeling naar iedere zaterdag en zondag, waarbij de er de eerste paar weken geen overnachting is. Doordeweekse omgangsmomenten zijn voor de man ook bespreekbaar. Hij begrijpt dat partijen met de hulpverlening verdere afspraken moeten maken over een definitieve omgangsregeling, ook ten aanzien van de omgang tijdens de vakanties en feestdagen. Daarnaast ziet de man in dat partijen hulp nodig hebben om de communicatie te verbeteren en om tot een ouderschapsplan te komen. 4.2. Door en namens de vrouw wordt, samengevat, aangevoerd dat partijen overeenstemming met elkaar hebben bereikt over het gezag. Zij hebben een daartoe bestemd formulier ondertekend. Dit formulier moet alleen nog worden ingediend. Gelet hierop kan het verzoek van de man worden afgewezen. De omgangsregeling zoals deze nu geldt, loopt goed. Wat de vrouw betreft kan deze regeling als voorlopige omgangsregeling gelden. Oma (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.