RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-173182-23 en 02-167548-23 (ttz. gevoegd) vonnis van de meervoudige kamer van 15 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1995 te [plaats 1] , wonende te [adres 1] , raadsman mr. R.H.P. Feiner, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaken naar deze kamer verwezen. De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: parketnummer 02-173182-23 feit 1: op 13 juli 2023 een ruit en een scooter, van [slachtoffer 1] en/of Woongoed Middelburg, heeft vernield; feit 2: op 9 juli 2023 in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld door [slachtoffer 2] meerdere malen te bellen; feit 3: op 23 juli 2023 heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een metalen staaf en een bierflesje tegen zijn hoofd te slaan, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling; parketnummer 02-167548-23 feit 1: op 9 juli 2023 de auto van [slachtoffer 2] heeft vernield; feit 2: in de periode van 21 april 2023 tot en met 22 april 2023 de inboedel van de woning van [slachtoffer 2] heeft vernield. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De onder feit 3 in de zaak met parketnummer 02-173182-23 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer met een metalen staaf en een bierflesje geslagen. Meerdere verbalisanten hebben waargenomen dat verdachte het slachtoffer sloeg. Dat verdachte heeft geslagen, wordt ook bevestigd door het bij het slachtoffer waargenomen letsel en de verklaring die het slachtoffer tegenover de verbalisanten heeft afgelegd. De metalen staaf is aangetroffen, net als scherven van bierflesjes. Het slachtoffer is knock-out achterover gevallen, waaruit blijkt dat verdachte met kracht heeft geslagen. Door het slachtoffer op deze wijze te slaan heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De overige aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangiftes en de bekennende verklaringen van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde vernielingen aan het oordeel van de rechtbank (02-173182-23, feit 1 en 02-167548-23, feiten 2 en 3). Ten aanzien het in strijd handelen met een gedragsaanwijzing (02-173182-23, feit 2) is naar voren gebracht dat verdachte dronken was op het moment dat de gedragsaanwijzing aan hem werd uitgereikt en uit het dossier niet blijkt of het hem duidelijk is geworden wat de gedragsaanwijzing inhield. Het is de vraag of verdachte opzet had op het overtreden van de gedragsaanwijzing. Verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling (parketnummer 02-173182-23, feit 3). Er is geen aangifte gedaan door het slachtoffer. [Verbalisant] zou hebben gezien dat verdachte het slachtoffer met een metalen staaf heeft geslagen. Er is aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van deze verbalisant. Allereerst is het de vraag of het vanuit zijn positie beneden mogelijk was om te zien wat er boven tussen verdachte en het slachtoffer gebeurde. Daarnaast is het is de vraag of hij echt een klap heeft waargenomen of hij deze conclusie zelf heeft getrokken naar aanleiding van de situatie die hij boven aantrof. Daarbij komt dat hij ambtshalve bekend is met verdachte door eerdere overlastgevende incidenten, wellicht heeft dat zijn waarneming gekleurd. Verder verklaart het slachtoffer zelf niet over de metalen staaf en is hier ook geen onderzoek naar gedaan. Het is niet bekend of er zwaar lichamelijk letsel met dit voorwerp kan worden toegebracht. Ook is er niets bekend over het letsel van het slachtoffer. Het feit kan daarom niet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-173182-23, feit 1 en 02-167548-23, feiten 2 en 3 Deze feiten kunnen bewezen worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier. 02-173182-23, feit 2 De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier. Op basis van het dossier is vast komen te staan dat verdachte de gedragsaanwijzing heeft ontvangen en daarvan op de hoogte was. Dat verdachte op dat moment nog te dronken was om de gedragsaanwijzing te begrijpen is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Door aangeefster die dag toch meerdere malen anoniem op te bellen heeft hij opzettelijk de gedragsaanwijzing overtreden. 02-173182-23, feit 3 De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte met zowel een metalen staaf als een bierflesje meerdere malen tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten, in het bijzonder [Verbalisant] , hebben waargenomen, nu de waarnemingen van de verbalisanten bevestiging vinden in de overige bewijsmiddelen. Het slachtoffer heeft direct na de gebeurtenissen tegenover de verbalisanten verklaard dat hij meerdere malen op zijn hoofd is geslagen. Dit is ook bevestigd door het bij hem waargenomen letsel. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen gekwalificeerd moet worden als een poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook één harde klap tegen een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer na het slaan knock-out op de grond viel, valt af te leiden dat verdachte met kracht heeft geslagen. Door op deze manier op het hoofd van het slachtoffer te slaan heeft verdachte - naar de uiterlijke verschijningsvorm - bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 02-173182-23 feit 1 op 9 juli 2023 te Middelburg, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft beschadigd; feit 2 in de periode van 21 april 2023 tot en met 22 april 2023 te Middelburg, opzettelijk en wederrechtelijk de inboedel van een woning gelegen aan de [adres 2] in [plaats 2] , die aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd; 02-167548-23 feit 1 op 13 juli 2023 te Middelburg, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en een scooter, die aan [slachtoffer 1] en/of Woongoed Middelburg, toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd; feit 2 op 9 juli 2023 te Middelburg, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 9 juli 2023, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, door [slachtoffer 2] meerdere malen te bellen; feit 3 op 23 juli 2023 te Middelburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - met kracht met een metalen staaf, heeft geslagen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] en - meerdere malen met kracht met een (kapot) bierflesje, heeft geslagen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Op die manier kan verdachte aansluitend aan de detentie starten met de klinische opname. Zij vordert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht. 6.2 Het standpunt van de verdediging Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd. Verdachte staat gelet op zijn alcoholproblematiek open voor een klinische opname en de verdediging heeft het belang daarvan onderschreven. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van een auto en een scooter en het vernielen van de inboedel en de ruit van een woning. Deze vernielingen en/of beschadigingen zijn gepleegd aan en in de omgeving van de woning van zijn ex-partner en haar broer. Verdachte heeft in de woning van zijn ex-partner een ravage achtergelaten en ook niet geschuwd spullen van zijn kinderen kapot te maken of van het balkon te gooien. Dit zijn nare feiten die verdachte onder invloed van alcohol heeft gepleegd. Verdachte heeft na één van de vernielingen aan de woning van zijn ex-partner een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen, waarin onder meer aan hem duidelijk was gemaakt dat hij geen contact meer met haar mocht opnemen. Verdachte heeft zich ook hiervan niets aangetrokken en heeft aangeefster dezelfde avond, meerdere malen, anoniem gebeld. Met zijn handelen heeft de verdachte voor zowel zijn ex-partner als haar omgeving een bedreigende en onveilige situatie gecreëerd en heeft hij meerdere personen schade toegebracht. Verdachte heeft geen enkel respect voor eigendommen van anderen. Ook moeten de feiten beangstigend voor de ex-partner van verdachte zijn geweest, te meer omdat twee van de vernielingen ook in de omgeving van haar woning plaats hebben gevonden. Zij heeft ook verklaard dat zij bang was voor verdachte en dat hij haar of de kinderen wat zou aandoen. Uit de toelichting van de vordering tot schadevergoeding blijkt ook dat zij zich langere tijd onveilig heeft gevoeld. Daarnaast veroorzaakt dit soort feiten gevoelens van angst, onveiligheid en onrust in het algemeen in de samenleving. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met kracht met metalen staaf en glas tegen zijn hoofd te slaan. Dit is een ernstig feit en ook ten tijde van het plegen van dit feit was verdachte onder invloed van alcohol. Verdachte heeft door het plegen van deze geweldshandelingen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast is ook een buurvrouw van het slachtoffer ongewenst met deze situatie geconfronteerd. Ook dit kan gevoelens van angst, onveiligheid en onrust oproepen. Verdachte heeft hier niet bij stilgestaan. De rechtbank rekent hem dit aan. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen, ook voor soortgelijke feiten. Dit is in het nadeel van verdachte. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van 12 oktober 2023 en de aanvulling op dit advies van 18 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.