RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-096534-24, 02-077716-24 (gev. ttz) vonnis van de meervoudige kamer van 20 december 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989 wonende aan de [woonadres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 december 2024, waarbij de officier van justitie, mr. Warmoeskerken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 02-077716-24 in de periode van 18 augustus 2023 tot en met 16 februari 2024 [aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft gestalkt. 02-096534-24 op 19 maart 2024 een raam(kozijn) van een appartement in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor goederen en personen is ontstaan; 3De voorvragen De dagvaardingen zijn geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft bekend de berichten te hebben gestuurd en brand te hebben gesticht. Er was ook sprake van gevaar voor goederen en personendoor de brand. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich voor de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar bij de brandstichting vrijspraak bepleit voor het in de tenlastelegging genoemde te duchten gevaar voor personen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-077716-24: Stalking Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de stalking zoals ten laste gelegd heeft begaan. 02-096534-24: Brandstichting Op basis van de bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte op 14 maart 2024 brand heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dat heeft op zitting ook niet ter discussie gestaan. Volgens de verdediging was van die brandstichting echter geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten. Het was namelijk overdag en de brandstichting was duidelijk te zien, zodat snel ingegrepen kon worden. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak is vereist dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank was dat hier het geval. Het appartement waarin aangeefster woonde, maakt onderdeel uit van een appartementencomplex en is aan allen kanten omgeven door bebouwing. In dit appartementencomplex waren ten tijde van de brand andere personen aanwezig. Zo heeft een bewoner door rookontwikkeling de woning moeten verlaten. Daarnaast was er een bewoonster thuis die het geheel heeft zien gebeuren. Dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen zich niet daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, is enkel te danken aan het tijdig en adequaat ingrijpen door de hulpdiensten. Niet aan handelen van verdachte. Het verweer wordt dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte brand heeft gesticht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02/077716-24 in de periode van 18 augustus 2023 tot en met 16 februari 2024, in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door: - meermalen e-mailberichten te sturen naar die [aangeefster] en haar collega's en werkgever, waarbij de inhoud gericht is aan/verwijst naar die [aangeefster] en - foto's te sturen via WeTransfer en - meermalen Facebook-berichten te sturen naar de ouders en familieleden en bekenden van die [aangeefster] en - meermalen te bellen en de voicemail in te spreken en - contactgegevens van die [aangeefster] te delen met (hulp)instanties en organisaties waarna er door deze instanties en organisaties contact met die [aangeefster] is opgenomen en - zich meermalen hinderlijk in de directe omgeving van de woning van die [aangeefster] op te houden en - meermalen brieven en pakketjes en rozen te (laten) bezorgen/af te geven in de brievenbus van die [aangeefster] , met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen of te dulden. 02/096534-24 op 19 maart 2024 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht aan een raamkozijn van een appartement aan de [adres] door met behulp van petroleum, een aansteker en lampenolie (open) vuur in aanraking te brengen met een raamkozijn, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor een ander en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was; 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek en tbs met voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een contactverbod ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel (GVM-maatregel) ex artikel 38z Sr op te leggen. Zij heeft verzocht de maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit geen gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van het voorarrest overstijgt en geen maatregel ex artikel 38v of 38z Sr op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Verdachte en aangeefster kenden elkaar van hun werk als monteur bij de [bedrijf] in [plaats 1] . Toen aangeefster solliciteerde en werd aangenomen in [plaats 2] bleek verdachte daar ook gesolliciteerd te hebben en aangenomen te zijn. De volgende dag vertelde verdachte aangeefster dat hij verliefd op haar was, waarop zij meteen heeft gezegd geen gevoelens voor hem te hebben en dat ze hem zag als gewone vriend en collega. Omdat verdachte daar niet mee uit de voeten kon, is hij aangeefster gedurende een aantal maanden gaan stalken door onder andere haar en mensen uit haar directe omgeving berichten te sturen en ongewenst naar haar appartement te gaan. Voor de stalking is verdachte op 6 maart 2024 aangehouden en op 8 maart 2024 zelfs voorgeleid aan de rechter-commissaris. Die heeft hem in bewaring gesteld, maar onder strenge voorwaarden geschorst. Natuurlijk met een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de [adres]. Op zitting heeft verdachte verteld dat hij op 18 maart 2024 tegen een aandrang aan het vechten was, maar toen wel de spullen heeft gekocht, die hij de dag erna heeft gebruikt om brand te stichten aan het appartement van aangeefster. Dat de gevolgen van die brand beperkt zijn gebleven tot materiële schade is niet aan verdachte te danken. Aangeefster zelf was gelukkig niet thuis en een bovenbuurvrouw die de brand(stichting) heeft gezien, heeft snel 112 gebeld, waarna de brandweer het vuur heeft geblust. Toch heeft de brandstichting een grote impact gehad op aangeefster. De eerste dag kon zij niet eten en de weken erna sliep zij slecht. Zij was boos op verdachte. Door de gevolgen van de stalking en de brandstichting heeft zij twee weken niet kunnen werken en drie weken school gemist. Na drie maanden ging het op de meeste momenten wel beter, maar ze blijft ermee bezig en voelt woede wanneer zij weer met het handelen van verdachte geconfronteerd wordt, bijvoorbeeld bij nieuws over de rechtszaak. Zij zal een aantal EMDR-sessies bij een psycholoog volgen gericht op de aangestoken brand in haar woning. Dat de brandstichting ook gevoelens van onrust en onveiligheid bij andere bewoners van het complex heeft opgeroepen, spreekt voor zich. De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank onder andere rekening gehouden met het gegeven dat de feiten met elkaar verband hielden en dat de handelingen van verdachte steeds heftiger en indringender van aard werden. Vervolgens heeft de rechtbank gekeken naar de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Op zitting heeft verdachte meteen aan het begin beide feiten bekend en verklaard dat hij inziet dat zijn handelen fout is geweest. Verdachte heeft meegewerkt aan een dubbel persoonlijkheidsonderzoek dat meer inzicht biedt in dat handelen. De psychiater en de psycholoog komen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde (gemengde) persoonlijkheidsstoornis met zowel narcistische als dwangmatige en afhankelijke kenmerken. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van de strafbare gedragingen en de stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes. De psycholoog heeft toegelicht dat de problematiek van verdachte wordt gekenmerkt door een verhoogde krenkbaarheid, gevoeligheid voor kritiek en voor verlating of afwijzing, althans als zodanig beleefd gedrag en houding van anderen. Dit speelt waarschijnlijk vooral een rol in het contact met personen voor wie hij een sterke genegenheid koestert. De deskundigen adviseren de feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de deskundigen in hun conclusies. Zij zal de feiten op basis van de inhoud van aanwezige rapporten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Strafoplegging Weliswaar kunnen de feiten verminderd aan verdachte worden toegerekend, maar de rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur nog steeds passend is gelet op de ernst van de feiten. Daarbij kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Gelet op de verminderde toerekenbaarheid is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Maatregel tbs met voorwaarden Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van tbs met voorwaarden opleggen. Beide deskundigen en de reclassering hebben dat geadviseerd. De reclassering heeft in het rapport de voorwaarden geformuleerd die hierbij zouden moeten worden opgelegd. De rechtbank constateert dat er aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een tbs maatregel is voldaan. Eerder is al vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die ook aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten. Volgens beide deskundigen is het recidiverisico matig tot hoog. De reclassering schat het recidiverisico zelfs in als hoog. Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen en gelet op het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen en goederen eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden is door beide deskundigen en door de reclassering geadviseerd en haalbaar geacht. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven dat hij zich aan de voorwaarden wil houden en dat op de zitting bevestigd. De rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden zoals omschreven door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan. Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr Gelet op de ernst van het gedrag van verdachte, het recidiverisico en omdat verdachte zich eerder niet aan een contactverbod in het kader van schorsende voorwaarden heeft gehouden, zal de rechtbank ook een contactverbod met aangeefster ex artikel 38v Sr opleggen. Zij zal de maatregel opleggen voor de maximale duur van vijf jaar om zo lang mogelijk bescherming te bieden aan aangeefster. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor elke overtreding twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast met een maximum van zes maanden. Uit de deskundigenrapportages volgt dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen richting aangeefster. Om die reden zal de rechtbank de maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr De officier van justitie heeft verzocht om aan verdachte een GVM-maatregel als genoemd in artikel 38z Sr op te leggen om het gedrag van verdachte langdurig te kunnen beïnvloeden nadat de behandeling in een tbs setting is beëindigd. Een dergelijke maatregel kan worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank ziet geen redenen waarom voornoemde maatregel moet worden opgelegd, nu onvoldoende is onderbouwd welk gedrag na het einde van de tbs-maatregel nog zou moeten worden beïnvloed. 7De benadeelde partij Feit 1 en 2 De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 10.994,98, waarvan € 4.494.98 aan materiële schade en € 6.500,-- aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat de feiten heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade Het gevorderde eigen risico van € 385,-- acht de rechtbank toewijsbaar vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.