RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/415480 / HA ZA 23-575 Vonnis in het incident van 14 februari 2024 in de zaak van GEMEENTE MIDDELBURG, te Middelburg, eisende partij in de hoofdzaak en het incident, hierna te noemen: Gemeente Middelburg, advocaat: mr. U.T. Hoekstra te Middelburg, tegen [gedaagde] , te [plaats 1] , gedaagde partij in de hoofdzaak en het incident, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. N.A. Koole te Middelburg. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding tevens houdende incidentele, provisionele eis van 24 oktober 2023 met producties 1 tot en met 6; - de conclusie van antwoord in incident met producties 1 tot en met 13; - de brief van mr. Hoekstra met daarbij producties 7 en 8; - de e-mail van mr. Koole met daarbij een aanvullend exemplaar van productie 10 bij de conclusie van antwoord in incident; - de mondelinge behandeling van 5 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij aan de zijde van Gemeente Middelburg en [gedaagde] spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis in het incident bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is eigenaar van een perceel grond met opstallen aan de [adres] te [plaats 1] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] (hierna: het perceel). Het perceel is gelegen op een bedrijventerrein en heeft een bedrijfsbestemming. 2.2. Bij akte van 31 mei 2001 zijn ten laste van een aantal percelen die (inmiddels) eigendom zijn van Gemeente Middelburg (voor zover hier van belang) twee rechten van erfdienstbaarheid gevestigd. Het betreft een uitweg van het perceel van [gedaagde] naar de [straat 1] en een uitweg naar de [straat 2] (hierna samen: de uitwegen van [gedaagde] ). 2.3. De erfdienstbaarheden zijn als volgt omschreven: “ 1. Erfdienstbaarheid van uitweg [straat 1] Ten laste van een gedeelte van de kadastrale percelen [gemeente] , [sectie] [nummer 3] en [nummer 4] , welk gedeelte eigendom wordt/is van de [gemeente] en met kruisarcering (rood) op de aan deze akte gehechte kaart schetsmatig is aangegeven, alsmede een gedeelte van het kadastrale perceel [gemeente] [sectie] [nummer 4] , eigendom van Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging U.A, welk gedeelte met schuine arcering (blauw) op de aan deze akte gehechte kaart schetsmatig is aangegeven, wordt gevestigd het recht van uitweg om te gaan naar en te komen van de openbare weg, genaamd [straat 1] over de reeds bestaande inrit/uitweg, te voet, met auto’s, vrachtauto’s, al dan niet met opleggers, met de fiets, of met welk vervoermiddel dan ook, ten behoeve van de percelen kadastraal bekend [gemeente] [sectie] nummers [nummer 1] , [nummer 5] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] , voorzover het eigendom van de [gemeente] wordt/is en [nummer 4] , voorzover eigendom van Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging U.A wordt/is.” En “ 3. Erfdienstbaarheid van uitweg [straat 2] Ten laste van een gedeelte van het kadastrale perceel [gemeente] [sectie] [nummer 4] , welk gedeelte eigendom is/blijft van Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging U.A en ten behoeve van de kadastrale percelen [gemeente] [sectie] nummers [nummer 5] en [nummer 2] wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van het recht van uitweg om te gaan naar en te komen van de openbare weg genaamd [straat 2] over de nog aan te leggen inrit/uitweg, welke uitrit is aangegeven op de aangehechte kaart met sterretjes (geel), te voet, met auto’s, vrachtauto’s, al dan niet met opleggers, met de fiets, of met welk vervoermiddel dan ook.” 3Het geschil 3.1. Gemeente Middelburg vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de voornoemde erfdienstbaarheden worden opgeheven op grond van de artikelen 5:78 aanhef en sub b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en/of artikel 5:79 BW. In het onderhavige incident vordert Gemeente Middelburg bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dat [gedaagde] wordt veroordeeld om – voor de duur van het geding en vooruitlopend op de in hoofdzaak gevorderde opheffing – te gehengen en gedogen dat de uitwegen van [gedaagde] worden verwijderd. 3.2. Aan haar vorderingen legt Gemeente Middelburg het volgende ten grondslag. Gemeente Middelburg wil het (bedrijven)gebied waar het perceel van [gedaagde] zich bevindt vernieuwen en toekomstbestendig maken (herontwikkelen). In de loop van 2024 zullen diverse kavels en loodsen in het gebied te koop worden aangeboden. De hoop is dat het gebied aanzienlijk zal toenemen in bedrijvigheid. Het is dan ook van belang dat het gebied goed bereikbaar is. Er wordt daarom een nieuwe openbare wegstructuur aangelegd. Dit omvat onder meer een nieuwe uitweg waarmee zowel het perceel van [gedaagde] als andere (omliggende) percelen goed bereikbaar zullen zijn. [gedaagde] heeft dan geen redelijk belang meer bij de handhaving van de erfdienstbaarheden. Daarnaast is het algemeen (verkeers)belang ermee gediend dat de erfdienstbaarheden worden opgeheven. De uitwegen van [gedaagde] zijn namelijk – met het oog op het aangrenzende fietspad aan de [straat 2] – altijd al onoverzichtelijk en gevaarlijk geweest. Met de komst van de nieuwe wegstructuur en de verwachte toename in bedrijvigheid in het gebied, zal de (verkeers)onveiligheid bij behoud van de uitwegen van [gedaagde] alleen maar toenemen. Daarbij komt ook nog dat er met de aanleg van de nieuwe uitweg drie uitwegen op een korte afstand van elkaar zullen liggen, hetgeen ook een toename in onveiligheid met zich mee brengt. In de dagvaarding heeft Gemeente Middelburg de volgende verkeerskundige onderbouwing aangehaald: “Het zgn. Siloterrein aan de [straat 2] grenst aan een tweezijdig fietspad (bord G11 RVV 1990). Dit fietspad vormt de hoofdontsluiting voor fietsers van en naar het [industriegebied] , de kern [plaats 2] en de stad [plaats 1] . Elke in- of uitrit die een fietspad kruist, vormt voor de fietsers een potentieel gevaar. Dit temeer daar fietspaden steeds intensiever bereden worden en fietsers steeds hogere snelheden hebben (e-bikes). Reden waarom wij vooral het aantal in-/uitritten dat fietspaden kruist, willen beperken. In dit specifieke geval wordt ons standpunt nog versterkt door de ligging van de bedoelde in-/uitritten: deze liggen uiterst onoverzichtelijk in een flauwe bocht. De nieuwe ontsluiting van het Siloterrein beperkt de gevaarkans voor fietsers aanzienlijk, met name vanwege de betere overzichtelijkheid. Dit is reden dat wij deze verkiezen boven de huidige twee uitritten, die wij daarom voorstellen op te heffen.” 3.3. Ten behoeve van de gevorderde voorlopige voorziening stelt Gemeente Middelburg tot slot nog dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verwijderen van de uitwegen, onder meer vanwege de reeds geplande en aanbestede uitvoering van een aantal onderdelen van de herontwikkeling van het gebied (zoals de aanleg van groenvoorzieningen). 3.4. [gedaagde] voert – samengevat weergegeven en voor zover in dit incident van belang – het volgende verweer. Dat [gedaagde] geen belang (meer) zou hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheden is onjuist. Op het perceel van [gedaagde] komt – in verband met zijn bedrijfsvoering – veel vrachtverkeer. Hij heeft het perceel in 1995 juist gekocht omdat hij belang heeft bij een goede bereikbaarheid. Via de bestaande uitwegen is het perceel van [gedaagde] goed en veilig bereikbaar. Dat de uitwegen onveilig zouden zijn, wordt door [gedaagde] betwist. Volgens hem zijn er langs hetzelfde fietspad (aan de [straat 2] ) meerdere, gelijkwaardige of zelfs minder overzichtelijke uitwegen, die wel mogen blijven bestaan. Bovendien is onduidelijk wie de verkeerskundige onderbouwing die Gemeente Middelburg aanhaalt in de dagvaarding heeft opgesteld, of waar deze passage onderdeel van is, zodat deze onderbouwing onvoldoende is. Daarnaast geldt dat het vrachtverkeer via de bestaande uitwegen het perceel van [gedaagde] via twee routes (vooruit) kan oprijden. Met de nieuwe uitweg van Gemeente Middelburg zou er nog maar één route beschikbaar zijn, waarbij het vrachtverkeer achteruit het perceel op zou moeten rijden. Dit is juist onveiliger. Ook voert [gedaagde] aan dat de nieuwe uitweg van Gemeente Middelburg – die nog niet is aangelegd – onvoldoende toegankelijk is, met name voor vrachtwagens met (extra) lange opleggers. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling In het incident Ontvankelijkheid en belang bij voorlopige voorziening 4.1. Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits deze vordering samenhangt met de hoofdvordering. Aan deze voorwaarde is voldaan, aangezien Gemeente Middelburg vordert dat [gedaagde] zal gehengen en gedogen dat de uitwegen worden verwijderd waarop de erfdienstbaarheden betrekking hebben waarvan zij in de hoofdzaak vordert dat deze worden opgeheven. Gemeente Middelburg is dan ook ontvankelijk in haar incidentele vordering. 4.2. Voorts is, gelet op het karakter van de gevorderde provisionele voorziening, voor toewijzing daarvan vereist dat Gemeente Middelburg bij deze voorziening een zodanig belang heeft dat redelijkerwijs van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Bij die beoordeling moet het belang van Gemeente Middelburg bij de voorlopige voorziening worden afgewogen tegen het belang van [gedaagde] om de afloop van de procedure in de hoofdzaak af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van de hoofdprocedure en de proceskansen van partijen daarin. 4.3. Volgens [gedaagde] moet de incidentele vordering reeds worden afgewezen omdat Gemeente Middelburg geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening. Aan dat verweer gaat de rechtbank voorbij. Anders dan met betrekking tot een [gedaagde] geding is een spoedeisend belang niet vereist voor het kunnen instellen en toewijzen van een provisionele vordering. Volgens Gemeente Middelburg zou – indien de uitwegen van [gedaagde] niet onmiddellijk worden verwijderd – de geplande uitvoering van de herontwikkeling vertraging oplopen. In zoverre is haar belang bij de provisionele vordering in beginsel dan ook gegeven. 4.4. De daarmee voorliggende vraag is of op grond van het tot nu toe gevoerde partijdebat en de op dit moment voorhanden zijnde informatie zo aannemelijk is dat in de hoofdzaak de vordering van Gemeente Middelburg tegen [gedaagde] zal worden toegewezen, dat het belang van Gemeente Middelburg bij de gevorderde voorlopige voorziening zwaarder dient te wegen dan het belang van [gedaagde] om de afloop van de procedure in de hoofdzaak af te wachten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Algemeen (verkeers)belang 4.5. Gemeente Middelburg legt aan haar vordering in de hoofdzaak en derhalve tevens in het incident allereerst ten grondslag dat de erfdienstbaarheden dienen te worden opgeheven op grond van artikel 5:78 aanhef en onder b BW en het daarin genoemde algemeen (verkeers)belang. 4.6. Uit artikel 5:78 aanhef en onder b BW volgt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.