RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/5604 WET uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, gemachtigde: mr. H. Martens, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van het college tot het gedeeltelijk afwijzen van een verzoek om handhaving van 10 november
- Verzoeker heeft het beroep ingetrokken, omdat het college op 26 augustus 2024 alsnog een beslissing op het bezwaar heeft genomen. 1.
- De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank laten weten dat zij zich zal conformeren aan een eventuele veroordeling in de verschuldigde proceskosten. 1.
- De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?
- De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. 4.
- Op 9 juli 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 18 december
- Het college heeft op 26 augustus 2024 alsnog beslist op dat bezwaarschrift. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoeker vergoeden?
- De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De vergoeding bedraagt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 875,- per punt en wegingsfactor 0,5), omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
- De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 23 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.