RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10751639 CV EXPL 23-2698 Vonnis van 14 februari 2024 in de zaak van de besloten vennootschap [eiser] B.V., gevestigd te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf gedaagde], wonende te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. B.H. Vader. 1Hoe is deze procedure verlopen? 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 oktober 2023 met producties; - het mondelinge antwoord met producties; - de conclusie van repliek met productie; - de conclusie van dupliek. 2Wat zijn de feiten in deze zaak? 2.
- [eiser] heeft een opdrachtbevestiging opgesteld waarin zij [bedrijf gedaagde] aanmerkt als opdrachtgever voor de huur van een afvalcontainer in de periode van 19 tot en met 28 juli 2021, te leveren op het [adres] in [plaats 3] . 2.
- De huurprijs voor de afvalcontainer is € 427,
- [eiser] heeft dit bedrag op 10 augustus 2021 gefactureerd. De factuur is verstuurd naar het toenmalige woonadres van [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald. 2.
- In de periode van 30 november 2021 tot en met 2 mei 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] meerdere aanmaningen verstuurd. 3Wat vordert [eiser] en wat vindt [gedaagde] daarvan? 3.
- [eiser] vordert – samengevat – betaling van € 573,65 (bestaande uit de hoofdsom van € 427,61, de incassokosten van € 61,14 en de wettelijke handelsrente tot 10 oktober 2023 van € 73,88), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 oktober 2023 en de proceskosten. 3.
- [eiser] stelt dat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst verplicht is om de huurprijs van de afvalcontainer te betalen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan. [eiser] wil dat [gedaagde] alsnog zijn betalingsverplichting nakomt. Omdat [gedaagde] de factuur niet op tijd heeft betaald en hij bovendien niet op de aanmaningen heeft gereageerd, is hij ook incassokosten en rente verschuldigd. 3.
- [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] voert aan dat misbruik is gemaakt van zijn identiteit en dat hij niet degene is die de huurovereenkomst met [eiser] heeft gesloten. De huurovereenkomst is aangegaan door de heer [naam] van [B.V.] (hierna: [naam] ). [gedaagde] hoeft daarom niet te betalen. 4Hoe beoordeelt de kantonrechter deze zaak? 4.
- In deze zaak draait het om de vraag of [gedaagde] degene is met wie [eiser] de huurovereenkomst voor de levering van een afvalcontainer heeft gesloten. Daarvan draagt [eiser] de stelplicht, en, zo nodig, de bewijslast, omdat zij zich beroept op nakoming van die overeenkomst. Anders dan [eiser] stelt, is het dus niet aan [gedaagde] om de juistheid van zijn stellingen aan te tonen. [gedaagde] hoeft de stellingen van [eiser] slechts voldoende gemotiveerd te weerspreken. Als dat lukt, dan ligt de bal weer bij [eiser] . 4.
- Tegen het standpunt van [eiser] voert [gedaagde] aan dat een ander, [naam] , misbruik heeft gemaakt van zijn identiteit. Dit zou [naam] in het verleden al eerder hebben gedaan met een andere partij. [gedaagde] heeft WhatsApp-berichten overgelegd om dit standpunt te onderbouwen. [gedaagde] wijst er verder op dat de afvalcontainer is afgeleverd bij een loods die wordt gehuurd door de vennootschap waarvan [naam] bestuurder is. Hij heeft bovendien (onweersproken) verklaard dat [eiser] gecorrespondeerd heeft met het e-mailadres van die vennootschap, te weten [e-mailadres] . Tot slot heeft [gedaagde] in zijn mondelinge antwoord verklaard aangifte te zullen doen van identiteitsfraude. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft weersproken dat hij de huurovereenkomst met [eiser] heeft gesloten. Dat [gedaagde] geen proces-verbaal van zijn aangifte in het geding heeft gebracht, maakt dat niet anders. [gedaagde] draagt in deze zaak namelijk niet de bewijslast, zoals hiervoor onder 4.1 al is besproken. 4.
- Het is vervolgens aan [eiser] om haar stellingen, gezien het verweer van [gedaagde] , nader te onderbouwen. Daar is zij niet in geslaagd. Op de zogenoemde orderbevestiging die [eiser] heeft overgelegd, staat geen handtekening van [gedaagde] , zodat daaruit niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] inderdaad degene is die de huurovereenkomst met [eiser] heeft gesloten. Dit volgt ook niet uit de omstandigheid dat [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de factuur die naar zijn woonadres is verstuurd. Daartegen heeft [gedaagde] namelijk onweersproken aangevoerd dat hij vrijwel nooit op dat woonadres verbleef, omdat hij voor projecten elders was. 4.
- De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de contractspartij van [eiser] is. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. 4.
- [eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op één punt aan salaris gemachtigde van € 132,00 voor dupliek en een half punt aan salaris gemachtigde van € 66,00 voor nakosten. 5Wat is de beslissing van de kantonrechter? De kantonrechter: 5.
- wijst de vorderingen van [eiser] af; 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 198,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Als [eiser] niet op tijd tot betaling overgaat en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening van het vonnis betalen. Dit vonnis is gewezen door mr. Roose en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.