← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:9474

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda rk-nummer: 23-022776 Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 12 september 2023, in de zaak: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 2004 woonplaats kiezende ten kantore van mr. P. Susijn op het adres: Tivolistraat 30 , 5017 HR Tilburg Verzoeker is [verzoeker] voornoemd. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:  het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 490,59, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,- dan wel € 680,- bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; het e-mailbericht van 26 juli 2023 waaruit blijkt dat verzoeker op 16 juni 2023 bij de Domeinen Roerende Zaken een afspraak had ten behoeve van het ophalen van zijn beslag; de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie. Op 9 april 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M.E.W.G. Stals en mr. P. Susijn als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Namens verzoeker is aangevoerd dat er namens verzoeker een klaagschrift beslag ex artikel 552a Sv was ingediend, welke heeft geleid tot de beslissing van de officier van justitie tot teruggave van het beslag. Het klaagschrift is op 22 mei 2023 ingediend, achteraf is gebleken dat op 31 mei 2023 is besloten tot teruggave van het beslag. Die beslissing heeft de advocaat echter niet bereikt. De advocaat heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de afrondende (noodzakelijke) werkzaamheden na teruggave toch plaats hadden gevonden, ook indien de advocaat eerder op de hoogte was geweest van de teruggave van het beslag. De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie waaruit volgt dat verzoeker op 16 juni 2023 weer feitelijk in het bezit was van de bromfiets, waardoor het voor verzoeker duidelijk was - althans had kunnen zijn - dat er geen beslag meer rustte op de bromfiets. De gedeclareerde kosten na de datum van de teruggave van het beslag komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank stelt uit het raadkamerdossier vast dat de bromfiets feitelijk op 16 juni 2023 aan verzoeker is teruggegeven. In het oordeel van de rechtbank is het billijk om na teruggave van het beslag een vergoeding voor 30 minuten aan (afrondende) werkzaamheden toe te kennen. De rechtbank zal dan ook een vergoeding toekennen van € 408,91. Voor de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van het verzoekschrift zal de rechtbank eenmaal het forfaitaire bedrag van € 680,- toekennen, aangezien beide verzoeken in één verzoekschrift aangebracht hadden kunnen worden. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 1.088,91‬, bestaande uit: - € 408,91 aan kosten van rechtsbijstand; - € 680,- de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; wijst het verzoek voor het overige af; bepaalt dat een bedrag van € 1.088,91 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Woodrow Van de Kerkhof, onder vermelding van “23-022776”. Deze beslissing is op 23 april 2024 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.