← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:9613

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/427479 / JE RK 24-1822 Datum uitspraak: 22 november 2024 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 1], [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 2]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1], advocaat mr. N. Wouters te Middelburg, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2]. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 oktober
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 november
  4. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.
  5. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter op hoofdlijnen aangegeven wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  6. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. 2.
  7. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 2.
  8. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2023 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 11 december
  9. 3Het verzoek 3.
  10. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.
  11. Door de GI is ter onderbouwing van zijn verzoek aangegeven dat verlenging van de ondertoezichtstelling ook in de komende tijd in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is, omdat zij nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn positieve ontwikkelingen, maar de situatie is nog pril. De bereidwilligheid bij de ouders om te werken aan hun situatie is er, maar er is sprake van een jarenlang patroon dat lastig is te doorbreken. Het is nu nog te vroeg om de ondertoezichtstelling los te laten. De minderjarigen komen meer los en ook de ouders zetten met hulpverlening goede stappen. Wanneer echter wordt gesproken over het afschalen van één van de hulpverleningsvormen, zorgt dit bij de ouders voor angst dat alles wat is bereikt teniet zal worden gedaan. Daarnaast stellen de minderjarigen zich, door de therapie die zij volgen, steeds meer open en zal moeten blijken welk effect dit heeft op de samenwerking tussen de ouders. De ouders hebben ook de komende tijd nog behoefte aan ondersteuning en een duidelijk kader vanuit de GI en alle betrokkenen zijn het er over eens dat de ondertoezichtstelling daar op dit moment nog steeds het juiste middel voor is. In de komende tijd zal moeten worden bekeken hoe kan worden ingezet op (langdurige) hulpverlening aan de ouders zonder dwangkader. De GI gunt ouders de hulpverlening, maar wel alleen wanneer dat nodig is. De GI wil het komende jaar benutten om samen met de ouders goede borgingsafspraken te maken en zodoende uiteindelijk te komen tot een afronding van de ondertoezichtstelling. 4.
  12. Door en namens de moeder is aangegeven dat zij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er is op dit moment nog sprake van een wankelige situatie. Het ene moment gaat het goed en het andere moment minder goed. Dit geldt voor beide minderjarigen. Daarnaast lukt het de ouders steeds beter om afspraken te maken, maar dit blijft soms lastig. Wanneer de ondertoezichtstelling nu wordt losgelaten, dan vreest de moeder dat zij weer terug bij af zijn. 4.
  13. De vader stemt ook in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij ziet dat er door de ouders grote stappen zijn gezet en dat de samenwerking steeds beter gaat. De vader deelt echter ook de zorg over wat het gevolg zou zijn als de ondertoezichtstelling nu zou wegvallen. 4.
  14. [minderjarige 1] schrijft in haar brief aan de kinderrechter dat zij het eens is met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Ze voelt zich veilig bij beide ouders en weet dat haar ouders het beste met haar voor hebben. [minderjarige 1] geeft echter ook aan dat zij nog geen verandering ervaart in hoe haar ouders met haar omgaan en dat zij het gevoel heeft dat dat door haar ouders onvoldoende wordt gezien. 5De beoordeling 5.
  15. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter vindt het positief om te zien dat de ouders en de minderjarigen met de hulpverlening stappen in de goede richting zetten. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat deze situatie nog pril en daarmee kwetsbaar is. Net als de GI ziet de kinderrechter nog zorgen en risico’s, met name gelegen in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen en het nakomen van afspraken door de ouders, die maken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de ondertoezichtstelling nog niet kan worden losgelaten. Eerst zal moeten blijken dat de ingezette positieve beweging blijvend is en dat het patroon van de afgelopen jaren definitief is doorbroken. Daarbij hebben de ouders de regie en ondersteuning vanuit de GI ook in de komende periode nog hard nodig. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van één jaar, te weten tot 11 december
  16. Indien het de ouders lukt om de positieve ontwikkeling vast te houden, zal de GI het komende jaar gebruiken om borgingsafspraken te maken, zodat haar betrokkenheid na dat jaar kan eindigen. 5.
  17. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 5.
  18. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  19. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 11 december 2025; 6.
  20. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2024 door mr. Holierhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van Holslag als griffier, en op schrift gesteld op 4 december
  21. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Artikel 1:260, eerste lid, BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.