← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:9616

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/411873 FA RK 23-3359 15 januari 2024 beschikking betreffende hoofdverblijf, zorgregeling en levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. C.A. Pietsch, en [de man] , wonende te [plaats 2] , [gemeente] , hierna te noemen de man, advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg. Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt: - Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI). Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling te adviseren.

  1. Het procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 13 juli 2023 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 8 december 2023 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brieven van mr. Pietsch van 25 juli 2023 (tweemaal) en 13 december 2023 met bijlagen; - de brief van mr. Langenberg van 15 december 2023 met bijlage; - de brief van de GI van 20 december 2023; - de e-mail van de man van 20 december
  3. 1.
  4. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 21 december
  5. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de raad. Er is geen vertegenwoordiger van de GI verschenen, zoals in de brief van de GI van 20 december 2023 was aangekondigd. 2De feiten 2.
  6. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad; - uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 2016 (hierna te noemen: [minderjarige] ); - [minderjarige] is door de man erkend; - partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; - [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw; - er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] ; - er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] moet voldoen. 2.
  7. Sinds 4 april 2023 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI en is zij uit huis geplaatst bij de vrouw. Bij beschikking van de kinderrechter van 4 december 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 juli 2024 en is de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vrouw verlengd tot 4 mei
  8. 3De verzoeken 3.
  9. De vrouw verzoekt nu, samengevat, - bepaling dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 116,= per maand met ingang van 1 april 2023 dan wel 30 juni 2023 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift. 3.
  10. De man verzoekt, samengevat, bepaling dat hij en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede de helft van de feestdagen en (school)vakanties. 4De beoordeling Hoofdverblijf 4.
  11. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar zal als op de wet gegrond en niet weersproken worden toegewezen, waarbij in aanmerking is genomen dat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet. Zorgregeling 4.
  12. De man legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Ondanks dat er volgens de kinderrechter in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet worden ingezet op herstel van het contact tussen de man en [minderjarige] , komt het contact niet van de grond. Het frustreert de man dat de betrokken jeugdzorgwerker de zaak niet daadkrachtig oppakt. De man heeft de afgelopen periode weliswaar kansen gekregen om [minderjarige] te zien, maar hieraan zijn steeds voorwaarden van de vrouw gekoppeld waarmee de man niet kan instemmen. Het wordt steeds moeilijker om het contact te herstellen, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] . Om schot in de zaak te krijgen en een vinger aan de pols te kunnen houden, verzoekt de man de rechtbank om nu een contactregeling tussen hem en [minderjarige] vast te leggen. De man begrijpt dat het op dit moment nog een brug te ver is om te starten met een weekendregeling. Hij kan dan ook instemmen met een regeling waarbij het contact stapsgewijs wordt opgebouwd naar een weekendregeling. Wat hem betreft kan er sprake zijn van onbegeleid contact tussen hem en [minderjarige] . [minderjarige] wil contact met hem en de contacten tussen hem en [minderjarige] zijn in het verleden ook altijd goed verlopen. Het enkele feit dat er inmiddels enige tijd geen contact tussen hem en [minderjarige] is geweest, is geen reden om het contact nu onder begeleiding te laten plaatsvinden. Het is voldoende dat de GI op de achtergrond toezicht houdt op de contactregeling. 4.
  13. De vrouw is van mening dat het verzoek van de man moet worden afgewezen en stelt in dit verband het volgende. De kinderrechter heeft in de beschikking van 4 december 2023 betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] overwogen dat [minderjarige] de man graag wil zien en dat zowel de vrouw als de GI graag met de man afspraken willen maken over contact tussen de man en [minderjarige] , maar dat de man niet duidelijk maakt wat hij hierin wil. De vrouw heeft zelfs afgelopen week nog aan de man gevraagd wanneer hij [minderjarige] wil zien, maar de man heeft hierop niet gereageerd. Hieruit blijkt dat de man tot op heden geen afspraken over contact met [minderjarige] heeft willen maken, maar voornamelijk bezig is met het indienen van klachten. De regie met betrekking tot de contactregeling moet volledig aan de GI worden overgelaten. [minderjarige] heeft de man al lange tijd niet gezien. De GI moet eerst duidelijk krijgen wat de man wil en kan met betrekking tot het contact met [minderjarige] en welke instantie het contact tussen de man en [minderjarige] kan begeleiden. Vervolgens moet de GI zorgvuldig het contact tussen de man en [minderjarige] monitoren en vanuit daar bekijken of het contact kan worden uitgebreid. 4.
  14. De jeugdzorgwerker heeft in zijn brief van 20 december 2023 namens de GI het volgende naar voren gebracht. De man heeft aangegeven de omgang met [minderjarige] te willen opstarten, maar wel onder begeleiding, welke begeleiding in elk geval voor het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] in zijn ogen noodzakelijk is. De GI is al op zoek naar een geschikte aanbieder die dit zou willen en kunnen oppakken. Daarnaast worden er op korte termijn afspraken gemaakt voor de intake van de speltherapie van [minderjarige] bij [praktijk] . 4.
  15. Namens de raad is op de mondelinge behandeling het volgende aangegeven. De raad is het met de man eens dat er zo snel mogelijk weer contact moet komen tussen hem en [minderjarige] , maar de man zal zich voor wat betreft de invulling van de contactregeling moeten wenden tot de GI. Aangezien er al enige tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] is geweest en het noodzakelijk is dat het contact goed wordt opgestart, acht de raad het aangewezen om in ieder geval de eerste contactmomenten onder begeleiding van een neutrale professional te laten plaatsvinden. Er kan dan worden gemonitord hoe het contact verloopt en hoe [minderjarige] op het contact reageert. Indien het contact goed wordt opgestart, zal het contact snel kunnen worden uitgebreid. 4.
  16. De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de stukken en hetgeen naar voren is gekomen op de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat zowel [minderjarige] , beide partijen als de GI willen dat er weer contact tussen [minderjarige] en de man gaat plaatsvinden. Voor zover hiervan nog onvoldoende sprake is geweest, moet er nu dan ook worden ingezet op contactherstel op zo kort mogelijke termijn. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden, waarbij er al enige tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] is geweest en er sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , niet aangewezen om een contactregeling vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de regie met betrekking tot de contactregeling op dit moment bij de GI moet liggen. De jeugdzorgwerker is het beste in staat om te bezien in welke vorm en frequentie het contact tussen de man en [minderjarige] kan worden opgestart en uitgebouwd. De rechtbank drukt partijen op het hart zich te conformeren aan hetgeen de GI in dat kader voorstelt. Nu nog niet voorzienbaar is hoe en op welke termijn een en ander zich in de toekomst zal ontwikkelen, zal de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling tussen hem en [minderjarige] afwijzen. Kinderalimentatie Grondslag verzoek 4.
  17. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen. 4.
  18. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Ingangsdatum 4.
  19. De rechtbank zal de door de man te betalen onderhoudsbijdrage laten ingaan op 1 januari
  20. Daarbij is in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat de man schulden heeft en dat moet worden voorkomen dat de man nog meer financiële problemen krijgt als gevolg van een alimentatieachterstand. Behoefte [minderjarige] 4.
  21. Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige] moet worden uitgegaan van hun netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de verbreking van hun samenleving in maart 2023 van € 3.258,= per maand. 4.
  22. Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin (drie kinderen), levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 260,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 276,= per maand. 4.
  23. Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Draagkracht vrouw 4.
  24. Tussen partijen staat vast dat het salaris van de vrouw op dit moment nog wordt aangevuld met een aanvullende bijstandsuitkering, maar dat haar salaris met ingang van 15 januari 2024 wordt verhoogd naar € 1.590,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Aangezien de voor [minderjarige] te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld per 1 januari 2024, houdt de rechtbank uit proceseconomische overwegingen vanaf 1 januari 2024 rekening met het salaris dat de vrouw vanaf 15 januari 2024 zal verdienen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de man te volgen in zijn standpunt dat aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van een hogere verdiencapaciteit. 4.
  25. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 9.046,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.471,= per maand. 4.
  26. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 322,= per maand. Draagkracht man 4.
  27. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man volgens de tabel € 116,= per maand bedraagt. 4.
  28. De man verzoekt aan zijn zijde echter uit te gaan van een minimumdraagkracht van € 25,= per maand, omdat uit de door hem met de Kredietbank afgesloten overeenkomst tot budgetbeheer blijkt dat hij een problematische schuldensituatie heeft. Aangezien de man geen inzicht heeft gegeven in zijn schuldenlast of aflossingsverplichtingen en op dit moment geen sprake is van een wettelijk of buitenwettelijk schuldsaneringstraject, acht de rechtbank geen reden aanwezig om de man geen of minder draagkracht toe te kennen vanwege schulden. De rechtbank gaat dan ook uit van een draagkracht van de man van € 116,= per maand. Draagkrachtvergelijking 4.
  29. Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van partijen brengt mee dat de man met een deel van 26% (€ 72,= per maand) en de vrouw met een deel van 74% (€ 204,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van [minderjarige] . Zorgkorting 4.
  30. Aangezien de man op dit moment geen contact heeft met [minderjarige] , maar hij wel weer graag contact met haar zou willen hebben en hier in het kader van de ondertoezichtstelling ook aan gewerkt wordt, ziet de rechtbank aanleiding om een zorgkorting van 5% toe te passen op de door de man ten behoeve van [minderjarige] verschuldigde onderhoudsbijdrage. Nu de behoefte van [minderjarige] € 276,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 14,= per maand. 4.
  31. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 58,= per maand. Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderalimentatie 4.
  32. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2024 vaststellen op € 58,= per maand. Berekening 4.
  33. De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 5De beslissing De rechtbank 5.
  34. bepaalt dat de [minderjarige] , geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 2016, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw; 5.
  35. bepaalt dat de man vanaf 1 januari 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 58,= (achtenvijftig euro) per maand; 5.
  36. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  37. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, en, in tegenwoordigheid van mr. de Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 januari
  38. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.