RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/428540 / JE RK 24-2043 (spoed) C/02/428542 / JE RK 24-2045 (regulier) Datum uitspraak: 21 november 2024 Beschikking van de kinderrechter over een vervolg spoeduithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. R.A.H. Vullings te Nijmegen. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 november 2024; het op 21 november 2024 mondeling gewijzigde verzoek van de GI, schriftelijk bevestigd op 28 november
- 1.
- De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november
- Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.
- De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
- [minderjarige] woonde bij haar moeder, maar verblijft bij haar opa vaderszijde. 2.
- Bij beschikking van 23 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 juli
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2024 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij opa tot 22 november
- 3De standpunten 3.
- De GI heeft ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] heeft aan de GI verteld dat zij zich thuis niet meer veilig voelt. [minderjarige] wil niet meer bij de moeder wonen, maar bij haar opa. Volgens [minderjarige] is haar moeder onvoorspelbaar in haar humeur en weet zij niet wanneer haar moeder boos is. [minderjarige] heeft nu voor het eerst verteld dat zij soms ook door haar moeder zachtjes op haar billen geslagen wordt. De moeder verwijt [minderjarige] dat zij niet naar haar luistert. [minderjarige] voelt zich niet gezien of gehoord door de moeder. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij door moeder achtergesteld wordt op haar broer, [naam] . Als [minderjarige] dit in het bijzijn van de GI tegen de moeder vertelt, wordt zij verbaal aangevallen door haar moeder. De GI ziet ook dat de moeder [minderjarige] overal de schuld van geeft, bijvoorbeeld van het feit dat er een raadsonderzoek is ingesteld naar [naam] . [minderjarige] is bang dat haar moeder haar dreigementen waar gaat maken, zoals [minderjarige] uit huis zetten. De moeder heeft in de afgelopen weken meermaals aan de GI en haar netwerk aangegeven dat zij niet meer voor haar kinderen kan zorgen. Volgens de moeder kan zij het niet meer aan en moet zij zelf opgenomen worden. Ook de school van [minderjarige] maakt zich grote zorgen om haar en heeft dit ook uitgesproken naar de moeder. De school maakt zich zorgen over zowel de thuissituatie als over het gedrag dat [minderjarige] op school laat zien in het contact met leeftijdsgenoten. Door de onrust thuis kan [minderjarige] niet tot onderwijs komen. Volgens de school is het noodzakelijk dat [minderjarige] therapie krijgt om haar trauma’s te verwerken, zodat zij weer tot leren kan komen. De moeder geeft straffen aan [minderjarige] die niet passend zijn. De begeleiders van de moeder vanuit FACT hebben vaker aangegeven dat de opvoeding van [minderjarige] en haar broer zeer belastend is voor de moeder en dat het beter zou zijn als er sprake zou zijn van deeltijdopvoeden. Het is voor [minderjarige] noodzakelijk dat zij in veiligheid wordt gebracht, zodat van daar uit gewerkt kan worden aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Opa heeft aangegeven dat hij bereid is om [minderjarige] op te vangen. [minderjarige] mist haar moeder en haar broer. De moeder heeft echter aangegeven dat zij nog geen contact wil met [minderjarige] . [minderjarige] wil graag haar eigen spulletjes, maar het is niet gelukt om hiervoor de medewerking van de moeder te krijgen. De moeder wil op haar beurt wel de jas van [minderjarige] terug. De GI deelt de zorgen over opa en dat hij volwassen zaken met [minderjarige] deelt. Opa is hier meerdere keren op aangesproken. De GI vindt echter niet dat de situatie bij opa onveilig is. [minderjarige] doet het verder goed bij opa. Ze gaat naar school en naar de voetbal. [minderjarige] zit in een enorm loyaliteitsconflict. De GI wil eerst met de vader en zijn begeleiders in gesprek om te bezien of hij [minderjarige] stabiliteit kan bieden. [minderjarige] kan het niet aan als haar vader weer uit haar leven zou verdwijnen. De GI maakt zich verder zorgen over de verstandhouding tussen [minderjarige] en haar moeder. Als [minderjarige] tegen haar moeder in durft te gaan, dan krijgt zij de volle laag terug. De moeder heeft de hulpverlening vaak niet toegelaten in de woning. [hulpverlening] wil beginnen met een hulpverleningstraject, maar dan moet de situatie wel veilig zijn. Dat is nu niet het geval, waardoor [hulpverlening] zich heeft teruggetrokken. [minderjarige] wil niet bij oma geplaatst worden, maar zegt niet waarom zij dat niet wil. De GI wil dat de moeder bij de politie aangifte gaat doen over de berichten op het snapchataccount van [minderjarige] , maar de moeder wil niet dat de politie bij haar thuis komt. Er zijn ook berichten dat [minderjarige] gepest en bedreigd wordt. Dit kan ook de reden zijn dat [minderjarige] niet meer bij de moeder wil wonen. [minderjarige] laat ook bij opa zorgelijk gedrag zien. Hierdoor heeft opa aangegeven dat hij niet langdurig voor [minderjarige] kan zorgen. De GI vindt het dan ook beter dat [minderjarige] naar een neutrale plaats gaat en dat zij van daar uit contact heeft met de moeder en met opa. Volgens de GI komt er bij [de woongroep] in [plaats] een plekje vrij voor [minderjarige] . Er is echter nog geen zicht op een datum waarop [minderjarige] daar terecht kan. De GI verzoekt de kinderrechter mondeling ter zitting om een brede machtiging te verlenen, zodat [minderjarige] meteen kan worden geplaatst als er plek is bij [de woongroep] . Het baart de GI zorgen dat de moeder nu terugkomt op haar eerdere uitspraken. De GI heeft dit gewijzigde verzoek ook besproken met [minderjarige] . [minderjarige] heeft een dubbel gevoel om naar een woongroep te gaan. Ze begrijpt dat ze vanuit een neutrale plek contact kan hebben met iedereen, maar ze vindt het ook spannend om op een woongroep te gaan wonen. [minderjarige] heeft meermaals tegen de GI gezegd dat ze liever terug gaat wonen bij de moeder, dan dat ze naar een woongroep gaat. 3.
- Door en namens de moeder wordt aangegeven dat het niet goed is dat [minderjarige] bij opa woont. Het is volgens de moeder juist de opa die alle spanning aanwakkert. Opa heeft in het verleden de vader van [minderjarige] verwaarloosd. De moeder erkent dat er spanningen in het gezin waren, maar dat werd veroorzaakt door opa en omdat de vader van [minderjarige] uit detentie is gekomen. De moeder heeft gezien dat opa heel belangrijk is voor [minderjarige] . De GI heeft met opa duidelijke afspraken gemaakt over dat hij [minderjarige] niet mag belasten met volwassen zaken en dat hij het niet over vader mag hebben. Opa komt deze afspraken niet na en de GI deelt de zorgen van de moeder. Ook komt opa zijn beloften aan [minderjarige] niet na. De moeder is erg verdrietig over wat er is gebeurd. Het geeft haar wel rust dat [minderjarige] niet meer bij haar woont. De moeder maakt zich wel grote zorgen over [minderjarige] . Zij heeft in het snapchat account van [minderjarige] zorgwekkende berichten gelezen, die zij met de GI heeft gedeeld. De moeder begrijpt dat [minderjarige] nu niet thuis kan wonen, maar de plaatsing bij opa is niet goed voor [minderjarige] . Door de plaatsing staat de verstandhouding tussen de moeder en [minderjarige] verder onder druk. De moeder zou liever zien dat [minderjarige] bij oma moederszijde geplaatst wordt. Oma kan zich meer neutraal opstellen dan opa. De moeder is verder bereid om met [hulpverlening] een hulpverleningstraject aan te gaan. De moeder vindt het niet gewenst dat [minderjarige] bij [de woongroep] in [plaats] geplaatst zal worden, omdat zij dan wordt blootgesteld aan beschadigde kinderen. De advocaat van de moeder maakt bezwaar tegen het mondeling gewijzigde verzoek, omdat dit formeel gezien schriftelijk verzocht moet worden. De advocaat van de moeder beseft evenwel ook dat een nieuw verzoek dan weer tot een nieuwe mondelinge behandeling zal leiden. Volgens de moeder is het doel van een machtiging tot uithuisplaatsing dat er wordt gewerkt naar een terugkeer naar huis. Vanwege de gespannen verstandhouding is dit vanuit de plaatsing bij opa niet mogelijk. De moeder wil [minderjarige] wel graag zien. De GI heeft dit anders begrepen. 4De beoordeling 4.
- Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de situatie zoals deze op 8 november 2024 ontstaan is, voldoende reden gaf om [minderjarige] op dat moment met spoed uit huis te plaatsen. [minderjarige] is op dat moment terecht met spoed in een netwerkpleeggezin geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. De beslissing van de kinderrechter in voormelde beschikking van 8 november 2024 is derhalve op juiste gronden genomen. Het resterende deel van het spoedverzoek zal voorts worden afgewezen aangezien de kinderrechter thans tevens zal beslissen op het gewijzigde verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden. 4.
- De kinderrechter zal ter zitting beslissen op het door de GI ter zitting gewijzigde verzoek. De kinderrechter is van oordeel dat behandeling van dit verzoek in het belang is van [minderjarige] en de rechtspositie van de moeder hierdoor niet is benadeeld, nu zij hierop voldoende heeft kunnen reageren ter zitting. Daarbij komt dat de GI heeft toegezegd dit verzoek zo snel mogelijk op schrift te stellen en na te zenden. De kinderrechter dient dan ook de vraag te beantwoorden of verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, zijnde bij opa, tot zij overgeplaatst kan worden naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zijnde een woongroep van [de woongroep] , voor de duur van drie maanden, gerechtvaardigd is. 4.
- In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.
- Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] hechtingsproblemen en trauma’s heeft, waar zij behandeling voor nodig heeft. De spanningen tussen [minderjarige] en haar moeder zijn zo hoog opgelopen, dat een terugkeer van [minderjarige] naar huis op dit moment niet haalbaar is. [minderjarige] zit klem in haar loyaliteit naar haar moeder en haar opa. Sinds [minderjarige] bij haar opa woont, is er meer structuur in het leven van [minderjarige] gekomen. Zij gaat naar school en naar de voetbal. Wel zijn er nog zorgen dat de opa en zijn partner [minderjarige] belasten met volwassen zaken. Ook laat [minderjarige] bij opa meer en meer gedrag zien, waarbij zij over de grenzen heen wil gaan. Dit gedrag vraagt om meer professionele begeleiding en ondersteuning dan opa en zijn partner kunnen bieden. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] nu niet terug kan keren bij de moeder en dat de plaatsing bij opa slechts van tijdelijke aard kan zijn. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij op korte termijn wordt doorgeplaatst naar een neutrale plek, waar zij de gelegenheid gaat krijgen om aan zichzelf te werken en traumabehandeling kan ondergaan. Het is dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI gemachtigd wordt om haar uit huis te plaatsen bij opa, tot het moment dat zij kan worden doorgeplaatst naar [de woongroep] . 4.
- De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. 5De beslissing De kinderrechter: 5.
- wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten opa vaderszijde, af; 5.
- verleent de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten opa vaderszijde tot het moment dat [minderjarige] kan worden doorgeplaatst naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zijnde [de woongroep] , met ingang van 22 november 2024 tot 22 februari 2025; 5.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024, in aanwezigheid van Joosen als griffier en op schrift gesteld op 5 december
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.