beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/402330 / FA RK 22-4590 Datum uitspraak: 10 december 2024 Beschikking over wijziging zorgverdeling en wijziging hoofdverblijf in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof in Tilburg, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers te Dongen, voorheen bijgestaan door advocaat: mr. L. Stam in ‘s-Hertogenbosch, over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. Informant in deze procedure is: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna: de GI. 1Het nadere procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 15 juni 2023 en de daarin genoemde stukken; - het op 13 december 2023 van de advocaat van de man ontvangen aanhoudingsverzoek; - het op 24 april 2024 van de advocaat van de man ontvangen onttrekkingsbericht; - de op 25 juni en 9 juli 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen uitstelverzoeken; - het op 30 juli 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier; - het op 5 november 2024 ontvangen F9-formulier met als bijlage een wijziging van het verzoek; - de op 6 november 2024 van de man ontvangen stukken, beeldmateriaal en geluidsfragmenten; - de e-mail van 8 november 2024 van de advocaat van de man waarin hij zich namens de man stelt 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 12 november
- Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook waren aanwezig twee vertegenwoordigsters namens de Raad en een vertegenwoordiger namens de GI. De advocaat van de man heeft spreekaantekeningen overgelegd, waarin zelfstandige verzoeken namens de man zijn geformuleerd. Deze spreekaantekeningen maken deel uit van het procesdossier. 1.3 De advocaat van de man maakt bezwaar tegen de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de GI. Volgens de man heeft de GI informatie gedeeld met de advocaat van de man nadat zij onttrokken was van de zaak. Hierdoor is er een vertrouwenscrisis bij de man ontstaan. De man heeft vervolgens een klacht ingediend tegen de GI. De rechtbank heeft, na bespreking van het bezwaar van de man,besloten om de GI als informant aanwezig te laten zijn. De minderjarigen staan immers onder toezicht van de GI en de informatie die de GI vanuit dit kader met de rechtbank kan delen is van groot belang voor de beoordeling van de verzoeken. 1.4 De rechtbank zal het van de man ontvangen stuk, waarin hij zijn visie geeft over het verzoek, buiten beschouwing laten. Volgens artikel 3.2 van het procesreglement Gezag en Omgang mag een dergelijk stuk, dat in wezen een verweerschrift is, alleen door tussenkomst van een advocaat worden ingediend. 2De verdere beoordeling 2.1 Aan de rechtbank liggen de volgende gewijzigde verzoeken nog voor. 2.2 De vrouw verzoekt de rechtbank nu om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: I. de man het recht op contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor onbepaalde tijd wordt ontzegd; II. te bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw, althans de Raad te gelasten om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] ; althans een door de rechtbank in goede justitie te geven beslissing. Kosten rechtens. 2.3 De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen nu er geen gegronde reden is om thans de zorg- en contactregeling en het hoofdverblijf te wijzigen. Als voorwaardelijk verzoek voegt de man daar nog aan toe om – in het geval het verzoek van de vrouw wordt afgewezen of wordt aangehouden – te bepalen dat de man en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zullen zijn tot omgang met elkaar onder begeleiding van de GI of [jeugdzorg] te [plaats], gedurende éénmaal per twee weken op zaterdag of zondag, gedurende twee aaneengesloten uren, op een door de begeleider te bepalen locatie, dan wel op een wijze en frequentie die de rechtbank passend acht. Als onvoorwaardelijk verzoek vraagt de man te bepalen dat de vrouw hem eens per maand informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen, eens per zes maanden een recente foto van de minderjarigen stuurt en hem te raadplegen over de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden en aan de nakoming van die verplichting een dwangsom te verbinden van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 5.000,
- 2.4 Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling op 6 april 2023 afgesproken dat zij zich zullen wenden tot de [mediation], aan wie gedurende het traject bij de [mediation] de procesregie wordt overgedragen. Bij beschikking van 15 juni 2024 is De behandeling van de verzoeken aangehouden in afwachting van nadere berichtgeving van de advocaten van partijen. 2.5 Bij beschikking van 6 april 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 3 april 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 6 april
- 2.6 Volgens het bericht van de vrouw van 30 juli 2024 heeft de hulpverlening besloten dat er niet meer wordt ingezet op contactherstel tussen de man en de minderjarigen. In het bericht van 5 november 2024 geeft de vrouw aan dat de inzet van De [mediation] en van de GI, vanwege de opstelling van de man, er niet toe heeft kunnen leiden dat een traject van start is gegaan gericht op contactherstel van de man met de minderjarigen en gericht op verbetering van de verstandhouding tussen de ouders. De vrouw heeft van de GI vernomen dat het traject naar contactherstel tussen de man en de minderjarigen van de baan is. 2.7 Door en namens de vrouw is aangevoerd dat de man de minderjarigen al sinds maart 2022 niet meer heeft gezien. In oktober 2022 zijn er twee telefonische contacten geweest, maar het tweede contact is niet goed verlopen. De minderjarigen krijgen twee keer per week speltherapie bij [zorgcoach]. Bij [minderjarige 2] wordt een blokkade gezien. Zij is perfectionistisch en voelt zich onzeker. Zij heeft het gevoel dat ze het nooit goed doet. [minderjarige 1] maakt enorme stappen door in zijn emotionele groei. Hij heeft haast geen woede-uitbarstingen meer. [minderjarige 1] doet het bovengemiddeld goed op school. De Raad heeft al een onderzoek gedaan en daarover gerapporteerd. De Raad is daarin tot de conclusie gekomen dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de conflictueuze verstandhouding tussen partijen, wat uiteindelijk heeft geleid tot het ontbreken van contact met de man. De minderjarigen zijn als gevolg hiervan onder toezicht gesteld van de GI. De GI is benoemd tot gezaghebbende derde, vanwege een noodzaak tot regievoering tussen partijen. De GI zal de door de Raad geadviseerde hulpverlening starten en continueren. Daarnaast zal er hulp moeten komen voor partijen om met hen te werken aan solo parallel ouderschap. Verder zullen partijen ook zelf met hulpverlening aan de slag moeten gaan. Bij de vrouw heeft dit inmiddels plaatsgevonden. Het traject voor contactherstel is niet gestart, omdat de man niet bereid was om in te stemmen met dat traject. Uit het door de man overgelegde e-mailbericht van 29 mei 2024 blijkt dat in een gesprek met de man op 14 maart 2024 de stappen en voorwaarden voor het traject tot contactherstel bij [zorgcoach] aan hem zijn voorgelegd. Daarbij is ook kenbaar gemaakt dat het verloop van dat traject steeds op geleide van het tempo en de behoefte van de minderjarigen zal zijn. Aan de man is gevraagd of hij aansluit en instapt bij dit traject. Deze vraag is een aantal malen aan de man voorgelegd. De man heeft om bedenktijd gevraagd en heeft deze ook gekregen. Van de man is echter geen ondubbelzinnige instemming verkregen om het traject uit te rollen. De man heeft enkel bij herhaling laten weten dat hij beschikbaar is voor de minderjarigen. De man verwijt de hulpverlening en de vrouw, dat zij alles in het werk stellen om het contact tussen de man en de minderjarigen te dwarsbomen. Uit de stukken blijkt de negatieve houding die de man inneemt jegens de vrouw. Hij beschuldigt haar van diefstal, meineed en het opstoken van de minderjarigen. De man blijft steeds terugkomen op de beëindiging van de relatie met de vrouw. Ook denkt de man nog steeds een vordering op de vrouw te hebben, terwijl hierover bij het gerechtshof een minnelijke regeling is getroffen. De man vindt dat de minderjarigen uit huis moeten worden geplaatst, maar dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard. De vrouw heeft eind juni 2024 van de GI vernomen dat er niet meer wordt ingezet op contactherstel tussen de minderjarigen en de man. De vrouw heeft daarom haar verzoek gewijzigd. Volgens de vrouw verzet het zwaarwegende belang van de minderjarigen zich tegen contact met de man. De man is niet bereid gebleken om deel te nemen aan het door de GI voorgestelde hulpverleningstraject. De ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen kan niet aangepakt worden door de inzet van hulpverlening. De vrouw wijst in dit verband op de beschikking in een gelijksoortige zaak, te vinden onder ECLI:NL:RBZWB:2024:4447, waarin een ouder de omgang is ontzegd. Gezien de huidige situatie, is er geen mogelijkheid voor een voorlopige begeleide omgangsregeling. Er moet dan namelijk eerst hulp ingezet worden, om ervoor te zorgen dat de omstandigheden zo zijn dat begeleide omgang kan plaatsvinden. Voor de vrouw is dit een gepasseerd station. De vrouw is bereid om de man structureel te informeren over de minderjarigen, op voorwaarde dat de man enkel reageert met vragen over de minderjarigen, als die er zijn. De man dient zich te onthouden van opmerkingen of verwijten of beschuldigingen aan het adres van de vrouw, zoals hij dat tot op heden heeft gedaan. Ter zitting is door en de vrouw nog toegelicht dat de speltherapeute nog steeds bij de minderjarigen betrokken is en dat de therapie momenteel gericht is op het opgroeien zonder vader. Uiteindelijk heeft de speltherapeute aan de minderjarigen overgebracht dat het de man niet lukt om contact met hen te hebben en dat dat niet aan hen ligt. De vader is een paar keer gesignaleerd in de wijk waar de minderjarigen wonen. Zij raken hiervan overstuur. Dit wordt ook betrokken in de speltherapie. 2.8 Door en namens de man is aangevoerd, dat de vrouw bij haar gewijzigde verzoek niet heeft aangegeven op welke grond haar verzoek tot ontzegging van de omgang is gebaseerd, laat staan dat zij enige grond (gedocumenteerd) heeft onderbouwd. Het verzoek van de vrouw zou al om die reden moeten worden afgewezen of niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij heeft namelijk niet voldaan aan haar stelplicht. Volgens de man blijkt nergens uit dat de omgang tussen de man en de minderjarigen hen ernstig nadeel oplevert voor hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling, dat de man kennelijk ongeschikt of niet in staat is tot omgang met de minderjarigen of dat de omgang tussen de man en de minderjarigen anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. De GI kan zich in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen op het standpunt stellen dat er niet meer wordt ingezet op contactherstel tussen de man en de minderjarigen, maar het oordeel daarover is voorbehouden aan de rechtbank en niet aan de GI. De man heeft bovendien niet van de GI zelf vernomen dat dit standpunt zou zijn ingenomen, nog daargelaten dat de man niet bekend is met de argumenten die daaraan ten grondslag zouden liggen. De man kan zich hierop dan ook niet verweren. Voor zover de rechtbank het standpunt van de GI in haar beoordeling zou willen betrekken, verzoekt de man om een onderzoek door een derde, zijnde de Raad of een deskundige, te gelasten. Enkel het standpunt van de GI is volgens de man onvoldoende om een ingrijpende beslissing als door de vrouw verzocht, te kunnen nemen. De man verwijst in dit verband naar artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, op grond waarvan de rechtbank een inspanningsverplichting heeft om het recht op family life tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. De man is door het ontbreken van contact met de minderjarigen en het gegeven dat de situatie onveranderd blijft, inmiddels buitengewoon gefrustreerd geraakt. Daarom is er volgens hem eens te meer reden om een onderzoek door een derde te gelasten, dan wel om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Door de aanpak van de GI en de obstructieve houding van de vrouw, heeft de man al ruim tweeëneenhalf jaar geen enkel contact meer met de minderjarigen en beschikt hij niet over informatie over de minderjarigen. De man realiseert zich dat hij zijn frustratie niet altijd op een constructieve wijze heeft gekanaliseerd. Hij is daarom bereid om zijn kritiek op de gang van zaken in het vervolg niet meer rechtstreeks, maar enkel nog via zijn advocaat aan de betrokkenen kenbaar te maken. Daarnaast zal de man zich laten begeleiden door een gedragsdeskundige, zodat het contact met de hulpverlening beter zal verlopen. De man is verder van mening dat er een raadsonderzoek nodig is om het verzoek van de vrouw, om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar te bepalen, te kunnen beoordelen. Hoewel [minderjarige 2] feitelijk al geruime tijd bij de vrouw woont, heeft de man geen enkel zicht op informatie over het opvoedklimaat bij de vrouw en het welzijn van [minderjarige 2] . De man kan dan ook niet beoordelen of het in het belang van [minderjarige 2] is dat zij het hoofdverblijf bij de vrouw krijgt. Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, in het geval dat het verzoek tot ontzegging van de omgang wordt afgewezen of aangehouden, vraagt de man om uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de man en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zullen zijn tot omgang met elkaar onder begeleiding van de GI of [jeugdzorg] te [plaats], gedurende éénmaal per twee weken op zaterdag of zondag, gedurende twee aaneengesloten uren, op een door de begeleider te bepalen locatie, dan wel op een wijze en frequentie die de rechtbank passend acht. De man zou graag aan de minderjarigen duidelijk willen maken dat hij begrip heeft voor hun negatieve ervaringen/belevingen en angsten uit het verleden, dat hij inzicht heeft in hun behoeftes en dat zij veilig en onbelast begeleid contact met hem kunnen hebben. De minderjarigen moeten op basis van hun eigen ervaringen een actueel beeld van hem kunnen vormen. Bij wijze van onvoorwaardelijk tegenverzoek vraagt de man om te bepalen dat de vrouw hem informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen en hem te raadplegen over de beslissingen die daarover genomen moeten worden. Omdat de vrouw deze verplichting niet op eigen initiatief nakomt, vraagt de man om aan de verplichting een dwangsom te verbinden van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 5.000,
- De man verzoekt om de vrouw te verplichten om hem halfjaarlijks een recente foto van de minderjarigen te sturen, om hem maandelijks te informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarigen, waaronder in ieder geval moeten worden verstaan hun schoolgang, hun welzijn, hun gezondheid en hun sport, hobby’s en uitjes en om hem vooraf te consulteren over wijzigingen betreffende die gewichtige aangelegenheden. De man vindt het niet zinvol om nog met de GI in gesprek te gaan, als er niet meer wordt gewerkt aan contactherstel. De man heeft de minderjarigen op 7 maart 2022 naar school gebracht en heeft ze daarna niet meer gezien of gehoord. De minderjarigen zijn blij weggegaan bij de man. Nu ziet de man dat de minderjarigen bang zijn. De man is bereid om hulpverlening te ontvangen voor zijn persoonlijke problematiek, maar dit moet dan ook voor de vrouw gelden. De man vindt dat hij wordt neergezet als een agressieve vader. De vrouw heeft de minderjarigen voorgelogen en gemanipuleerd. Zij heeft de minderjarigen opgejut om geld van hem te stelen. De man mag niet emotioneel zijn, maar het gaat hem zeer aan het hart dat hij de minderjarigen niet meer ziet. De man geeft aan dat hij twee gesprekken heeft gehad met [zorgcoach]. In het tweede gesprek waren niet dezelfde hulpverleners als in het eerste gesprek aanwezig. De man heeft het vertrouwen in de GI verloren. Hij erkent dat het gesprek bij [zorgcoach] niet goed verlopen is. De man stelt dat hij steeds heeft meegewerkt aan de hulpverlening, maar dat het een jaar heeft geduurd voordat er met hem in gesprek werd gegaan. Het gesprek met [zorgcoach] was op woensdag. De man kreeg tot donderdag de tijd om te reageren. Maar daarbij is niet gezegd om welke donderdag het ging. De man heeft geen reactie meer gestuurd naar de GI. De man is gefrustreerd door wat hem wordt aangedaan. Hij moet steeds aan allerlei voorwaarden voldoen. De man heeft nooit geweigerd om mee te werken. Er is bij hem nooit om een antwoord gevraagd. De man heeft aangegeven dat hij altijd open staat voor contact. Volgens de man wordt hij voortdurend tegengewerkt. 2.9 Namens de GI is aangegeven dat de man twee maanden de gelegenheid heeft gekregen om aan te geven of hij instemt met het traject naar contactherstel en dat hij mee zou werken. De man wilde drie tot vijf maanden bedenktijd. In juni 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de GI, de man en [zorgcoach]. Dat gesprek is door de GI en [zorgcoach] als zeer bedreigend ervaren. De man stond voorover geleund over tafel en met verheven stem zijn zegje te doen. Het leek de man meer te gaan over de strijd tussen de ouders. De houding van de man werd dusdanig dreigend, dat het gesprek om die reden onmiddellijk is beëindigd. De GI heeft de man alsnog een termijn van een week gegund om alsnog in te stemmen met het hulpverleningstraject. De minderjarigen hadden op dat moment al een heel traject doorlopen, om hen voor te bereiden op het contact met de man. Het is aan de man om te werken aan zijn agressieproblematiek. Hij moet gaan samenwerken met de hulpverlening. Het is niet mogelijk om met de man samen te werken, als hij zo blijft communiceren. De man heeft zelf geen initiatief getoond om te werken aan zijn persoonlijke problematiek. De minderjarigen hebben ook aangegeven dat zij niet willen dat de man nog tegen hen scheldt of negatief over de vrouw praat. Het is aan de man om mee te werken en wel op de voorwaarden, zoals die aan hem zijn voorgelegd. [zorgcoach] heeft aangegeven dat zij op deze manier niet verder willen met de man. De GI acht het ook niet in het belang van de minderjarigen om hen bloot te stellen aan de man, die nog niet veranderd is. De GI wil niet dat de minderjarigen opnieuw een negatieve ervaring moeten doormaken. De GI kan niet verder met het traject, omdat de man niet met de GI in gesprek wil. Het is dan niet zinvol om nog verder te werken aan het hulpverleningstraject. De GI is altijd bereid om met de man in gesprek te gaan. Wel moeten de ouders ook zelf aan de slag om te werken aan het voorgestelde traject. Als de ouders hun rol niet oppakken, dan kan de GI ook niet verder. De GI heeft ervoor gekozen om de moeder, begeleid door de betrokken hulpverlening, het nieuws over het niet doorgaan van het traject gericht op contactherstel met de minderjarigen te delen. Daarbij is er gekeken naar hoe de minderjarigen hierop reageerden en of zij aanvullende hulp nodig zouden hebben. De GI is altijd voorstander van contact tussen minderjarigen en hun ouders, maar dit moet niet ten koste gaan van de minderjarigen. De GI vindt het lastig om in te schatten hoe de minderjarigen zouden reageren als er opnieuw een traject naar contactherstel zou worden opgestart. 2.10 De Raad geeft aan dat tijdens het raadsonderzoek al is gezien, dat de vrouw meewerkt aan de hulpverlening, maar dat het contact desondanks niet tot stand is gekomen. Vervolgens is De [mediation] gestart. De man heeft een aanvallende manier van communiceren. Ook nu komt naar voren dat het lastig is om met de man samen te werken. De minderjarigen hebben al lang geen contact meer met de man. Als een nieuw traject wordt opgestart, dan vereist dat wel een speciale aanpak. Als de professionals al moeite hebben om met de man samen te werken, dan moet gerealiseerd worden wat er van de minderjarigen wordt gevraagd. Anderzijds heeft de vrouw een zeer verstrekkend verzoek gedaan. De Raad zou graag zien dat de GI onderzoekt of er nog een kans is op herstel van contact tussen de minderjarigen en de man. Als die mogelijkheid er niet meer is, dan moet duidelijk worden, hoe die conclusie tot stand is gekomen. De GI zal het besluit om niet meer in te zetten op herstel van contact beter moeten onderbouwen met argumenten. De Raad adviseert om de beslissing op dit punt aan te houden en te behandelen op het moment dat de GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen. Het is aan de GI om op dat moment schriftelijk inzichtelijk te maken welke stappen er zijn gezet. In het geval dat het herstel van contact niet meer realistisch is, dan moet er gekeken worden hoe het met de minderjarigen gaat en wat dit besluit met hen doet. Ook moet er gekeken worden wat de man heeft geprobeerd om tot herstel van contact te komen. Het zou helpend zijn als de man hulp gaat zoeken om beter te kunnen samenwerken met de GI. Wellicht is het een optie om de communicatie tussen de GI en de man via een collega jeugdbeschermer te laten verlopen. De Raad ziet evenwel dat er al veel verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet om tot herstel van contact te komen. De Raad stelt voor om, voorafgaand aan de volgende zitting, contact op te nemen met de GI en te bezien of er voldoende informatie is om een beslissing te kunnen nemen of dat er nader onderzoek nodig is. De Raad adviseert verder om de vrouw te verplichten om de man regelmatig te informeren over de minderjarigen. De GI zou in de berichtgeving mee kunnen lezen. De man is daarmee geïnformeerd over de minderjarigen en weet wat er speelt, in het geval dat er weer contact zou zijn. 2.11 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 3De beoordeling 3.1 In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. 3.2 In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. 3.3 In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. 3.4 Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals overeengekomen in het ouderschapsplan, is tussen partijen uitgevoerd tot maart
- De vrouw heeft de uitvoering beëindigd, omdat zij zich zorgen maakte over het welzijn van de minderjarigen op het moment dat zij bij de man waren. Bij vonnis in kort geding van 4 juni 2021 is [minderjarige 2] voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en is de man verboden – met uitzondering van videobelcontacten – contact te hebben met de minderjarigen tot het moment dat partijen anders zijn overeengekomen en maximaal voor een periode van drie maanden. Bij beschikking van 6 april 2023 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de vrouw in haar (inmiddels deels gewijzigde) verzoek ontvangen kan worden. Hoofdverblijf [minderjarige 2] 3.5 De vrouw heeft verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] , dat oorspronkelijk bij de man was, bij haar vast te stellen. [minderjarige 2] is ingevolge het kort geding vonnis van juni 2021 aan haar toevertrouwd. De man stelt dat hij geen zicht heeft op de opvoedsituatie bij de vrouw en dat hij daarom niet kan beoordelen of het in het belang van [minderjarige 2] is dat zij bij de vrouw woont. [minderjarige 2] woont sinds maart 2021 bij de vrouw en heeft sindsdien geen contact meer met de man. Het hulpverleningstraject tot herstel van het contact tussen de minderjarigen en de man is niet gestart. Het is bovendien nog niet duidelijk of een dergelijk traject opnieuw opgestart zou kunnen worden. Het is dan ook niet te voorzien dat het contact tussen [minderjarige 2] en de man binnen afzienbare tijd hersteld gaat worden. Voor [minderjarige 2] is het evenwel belangrijk dat zij duidelijkheid krijgt over het hoofdverblijf. [minderjarige 2] staat onder toezicht van de GI. Vanuit de GI zijn er geen zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de vrouw, die zouden maken dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is om haar hoofdverblijf bij de vrouw te hebben. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige 2] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie en dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw wordt bepaald. Het verzoek van de vrouw wordt daarom toegewezen. Informatieregeling 3.6 De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw hem moet informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen, dat zij hem eens per zes maanden een recente foto van de minderjarigen stuurt en dat zij hem raadpleegt over de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden en dat aan de nakoming daarvan een dwangsom wordt verbonden. De vrouw heeft zich bereid verklaard om de man structureel te informeren, zodat het verzoek kan worden toegewezen. Met de vrouw acht de rechtbank het van belang om daarbij te bepalen dat de man enkel mag reageren met vragen over de minderjarigen, als die er zijn. De man dient zich in zijn reactie te onthouden van opmerkingen, verwijten of beschuldigingen aan het adres van de vrouw. De rechtbank ziet, gelet op de toezegging van de vrouw dat zij de man zal informeren, geen aanleiding om aan de nakoming daarvan een dwangsom te verbinden. De rechtbank adviseert partijen om deze berichtgeving via de GI te laten verlopen, zodat deze de communicatie tussen partijen in goede banen kan leiden en erop kan toezien dat de door de rechtbank daaraan verbonden voorwaarde wordt nageleefd. Ontzegging recht op contact/begeleid contact 3.7 De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om op deze verzoeken te kunnen beslissen. De rechtbank zal het advies van de Raad op dit punt volgen. De rechtbank verwacht van de GI dat deze in de komende periode van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen gaat onderzoeken of er nog een mogelijkheid is om een traject voor herstel van contact tussen de man en de minderjarigen op te starten. Het is daarbij van essentieel belang dat de man met behulp van eigen professionele hulpverlening gaat werken aan zijn manier van communiceren en samenwerken met de GI en de hulpverlening. Als de GI een mogelijkheid ziet om met de man, maar ook met de minderjarigen, nog te werken aan herstel van contact, dan moet duidelijk worden wat daarvoor nodig is. Als de GI geen mogelijkheid meer ziet, dan zal de GI inzichtelijk moeten maken hoe die besluitvorming tot stand is gekomen, wie daarbij gehoord is en wat er nog is ingezet voor partijen en de minderjarigen. De rechtbank verlangt daarbij van de GI dat deze het standpunt zoveel mogelijk onderbouwt met verslagen van de betrokken hulpverleners. Ook een overzicht van de stappen die er vanaf het begin zijn gezet om herstel van contact mogelijk te maken, inclusief een tijdlijn, dient onderdeel te zijn van het bericht van de GI. De rechtbank vindt het – gelet op het voorgaande en het onderzoek dat nog gedaan moet worden – te prematuur om op dit moment een voorlopige begeleide contactregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen.. De rechtbank zal beide verzoeken dan ook aanhouden in afwachting van het bericht van de GI. Advies van de Raad voor de Kinderbescherming 3.8 Na ontvangst van het verslag van de GI zal de rechtbank dat verslag delen met partijen en de Raad. De Raad kan zich op dat moment beraden of er voldoende informatie beschikbaar is om een advies aan de rechtbank op te baseren. De rechtbank zal bij de advocaten van partijen de verhinderdata opvragen, zodat een nieuwe mondelinge behandeling gepland kan worden. 4De beslissing De rechtbank bepaalt dat [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016 voortaan haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw; bepaalt dat de vrouw de man eens per maand informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen, eens per zes maanden een recente foto van de minderjarigen stuurt en hem raadpleegt over de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden, waarbij de man enkel mag reageren met vragen over de minderjarigen, als die er zijn en waarbij hij zich in zijn reactie dient te onthouden van opmerkingen, verwijten of beschuldigingen aan het adres van de vrouw; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt de behandeling van deze zaak aan tot 6 april 2025 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk bericht van de GI zoals is omschreven onder 3.7 van deze beschikking, welk bericht, al dan niet begeleid door een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, uiterlijk op 7 maart 2025 moet zijn overgelegd; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024 in aanwezigheid van Joosen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.