RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer : 11174164 \ MB VERZ 24-822 CJIB-nummer : 7062 5422 5469 5102 uitspraakdatum : 5 december 2024 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene Gemachtigde : [gemachtigde] Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 5 december
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op het Heuveleind 3 te Oosterhout op 16 december 2022 om 19:45 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Gemachtigde wist niet dat een ontheffing nodig was om het voetgangersgebied in te mogen rijden. Betrokkene beschikt over een parkeervergunning maar niet over een ontheffing om naar de parkeerplaats te rijden en er ook weer uit te mogen rijden. Betrokkene heeft kort achter elkaar drie boetes ontvangen. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd ervan uit te zijn gegaan dat met het verstrekken van een parkeervergunning door haar werkgever ook een ontheffing was gegeven voor het rijden op de pleeglocatie. Het was gemachtigde bij ontvangst van de twee boetes niet duidelijk waar dit betrekking op had, dat was pas na ontvangst van de derde boete na navraag bij de gemeente. Gemachtigde parkeert alleen bij haar werk als haar baas er niet is, anders parkeert ze elders. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aan betrokkene zijn twee boetes, van dezelfde gedraging met een andere pleegdatum, tegelijkertijd op 3 januari 2023 gezonden. Hierdoor was gemachtigde niet op de hoogte van de eerste boete en daarom niet in de gelegenheid om haar gedrag aan te passen. Overwegingen De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat in dit geval de eerste boetebeschikking (voor een overtreding op 29 november 2022) verzonden is op 3 januari
- De tweede boete betreft een overtreding op 16 december 2022 en dat is vóór de datum van verzending van de eerste boetebeschikking. Dit betekent dat deze tweede boete vernietigd dient te worden omdat betrokkene pas na ontvangst van de eerste boete in de gelegenheid is om haar gedrag aan te passen. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Beslissing De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep gegrond; ‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd; ‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december
- Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk. Datum verzending: