RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer.: 11163769 \ MB VERZ 24-791 CJIB-nummer: 1062 5422 5224 9874 uitspraakdatum: 5 december 2024 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 5 december
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Grote Markt 61 te Breda op 30 augustus 2022 om 16:24 uur. Betrokkene heeft een tijdelijke ontheffing voor het inrijden, uitrijden of stilstaan in een voetgangersgebied of parkeren ter plaatse van een parkeerverbod ten behoeve van een bruiloft in het stadhuis. Betrokkene was eerder ter plaatse vanwege het installeren van diverse voorbereidingen voor het bruidspaar. In de voorwaarden staat opgenomen dat de ontheffing achter de vooruit van het gebezigde voertuig dient te zijn aangebracht. Betrokkene stelt dat, omdat de foto van de achterzijde van het voertuig is gemaakt, de camera geen geldige ontheffing kon registreren. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat een ontheffing voor ongeveer een uur was afgegeven. Betrokkene was kort voor de bruiloft aanwezig en is direct daarna vertrokken. Er was ontheffing verleend voor drie auto’s terwijl maar met twee voertuigen hiervan gebruik is gemaakt. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging is geconstateerd om 16.24 uur terwijl de ontheffing was verleend vanaf 16.50 uur. De ontheffing was daarom niet geldig op het moment van constatering van de verweten gedraging. De boete is daarom terecht opgelegd. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat betrokkene niet is gehoord of hierop is gewezen door de officier van justitie én te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren. Overwegingen Vaststelling van de gedraging De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dit wordt ook niet ontkend door betrokkene. De boete is dus terecht opgelegd. Schending hoorplicht Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond. De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Overschrijding redelijke termijn Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 17 september 2022 en is de redelijke termijn dus met 2,5 maand overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de reeds gematigde boete verder matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Aangevoerde omstandigheden Gelet op de aangevoerde omstandigheden, te weten het wel regelen van een ontheffing, het zeer korte tijdsbestek waarvoor de vergunning is verleend en het eveneens ook maar zeer kort onvoldoende naleven van de ontheffingsvoorwaarden, ziet de kantonrechter aanleiding de boete verder te matigen tot nihil. Conclusie Het beroep op de inleidende beschikking is gelet hierop deels gegrond en de inleidende beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in € 0,-; - draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december
- De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk. Datum verzending: