RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/5454 WMO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder. Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het college volgens haar niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar van 14 september
- 1.
- Het college heeft met het besluit van 4 augustus 2022 (primair besluit) de aanvraag van eiseres om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.
- Eiseres heeft het college met het emailbericht van 11 november 2022 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Met het besluit van 11 november 2022 heeft het college de ingebrekestelling afgewezen omdat deze prematuur is ingediend. 1.
- Op 23 november 2022 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. 1.
- Op 29 december 2022 heeft het college beslist op het bezwaar van eiseres en is het college bij het primaire besluit gebleven. Eiseres heeft (aanvullende) beroepsgronden ingediend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en mr. E. Percin namens het college. 1.
- De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college verzocht om nadere informatie over de aan eiseres toegekende deeltaxipas toe te sturen. Met de brief van 22 februari 2024 heeft het college nadere informatie aan de rechtbank toegestuurd. 1.
- Het college heeft een verweerschrift en aanvullende stukken ingediend. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2024 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het college mr. E. Percin en [naam 1] . Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroepschrift van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar ontvankelijk is. Als het beroepschrift ontvankelijk is, zal de rechtbank beoordelen of sprake is van niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het college terecht heeft geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar
- Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Voordat de rechtbank toe kan komen aan de beoordeling of sprake is van niet tijdig beslissen, zal eerst vastgesteld moeten worden wanneer de beslistermijn voor het bezwaar eindigt. Daarvoor is (mede) bepalend of een (advies)commissie is ingesteld. In artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken beslist of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. 5.
- Eiseres stelt dat de beslistermijn in dit geval zes weken bedraagt en dat dit volgt uit het Reglement behandeling bezwaarschriften van de gemeente Breda . 5.
- De rechtbank stelt vast dat uit artikel 2, eerste lid, van de Verordening behandeling bezwaarschriften Breda 2004 (Verordening) volgt dat er een commissie is ter voorbereiding van de beslissing op bezwaarschriften die zijn ingediend bij een bestuursorgaan op grond van de Awb. In het tweede lid is opgenomen bij welk soort besluiten de commissie niet wordt ingeschakeld. Besluiten in het kader van de Wmo worden hier niet genoemd, waaruit volgt dat de commissie bij de voorbereiding van de beslissing op het bezwaarschrift van eiseres is betrokken. 5.
- Als een commissie is ingesteld vloeit de termijn van twaalf weken direct voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De termijn om te beslissen op het bezwaar bedraagt dus twaalf weken. Deze termijn is gestart op de dag na die waarop de bezwaartermijn is verstreken, in dit geval is dat op 16 september
- De beslistermijn loopt dan tot en met 9 december
- Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor zes weken verdagen. Dat heeft het college op 1 december 2022 gedaan. In dit geval eindigde de beslistermijn daarom op 20 januari
- Eiseres heeft op 11 november 2022 een ingebrekestelling verzonden. Op dat moment was de beslistermijn van het college nog niet verstreken. De ingebrekestelling is te vroeg ingediend. Hieruit volgt dat het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
- Met het besluit van 29 december 2022 (bestreden besluit) heeft het college tijdig (binnen de wettelijke termijn) beslist op het bezwaar. Het college heeft het bezwaar, in overeenstemming met het advies van de Commissie Sociaal Domein van 23 november 2022, ongegrond verklaard. Eiseres heeft aangegeven dat zij het niet eens is met dit besluit en heeft de beroepsgronden aangevuld. Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening
- De rechtbank beoordeelt vervolgens of het college terecht heeft geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening. 7.
- Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming bestreden besluit
- Eiseres heeft op 3 november 2021 een melding en op 17 december 2021 een aanvraag gedaan voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo, te weten de maatwerkvoorziening autoaanpassing. Naar aanleiding daarvan heeft het college advies gevraagd aan de medisch adviseur van stichting SAP. Op 13 januari 2022 heeft verzekeringsarts [naam 2] eiseres thuis bezocht en een advies uitgebracht. [naam 2] heeft gerapporteerd dat sprake is van blijvende belemmeringen van het bekken, de knieën en de voeten. De handproblemen kunnen volgens hem nog verminderen door middel van bijvoorbeeld handtherapie. De conclusie is dat eiseres buitenshuis beperkt kan lopen, de loopafstand is wisselend van enkele meters tot 200 meter, afhankelijk van de pijnklachten. Eiseres kan volgens de medisch adviseur fietsen met een speciaal zadel en trapondersteuning. Eiseres kan gebruik maken van het openbaar vervoer maar lang staan is niet mogelijk waardoor normaal gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is. Eiseres kan met moeite instappen en zitten in een normale personenauto. Aangeraden wordt om te rijden in een auto met automatische transmissie. Vervolgens is het college tot besluitvorming overgegaan. Beroepsgronden
- Eiseres stelt zich in beroep, kort gezegd, op het standpunt dat het college geen oplossing heeft geboden voor haar vervoersprobleem. Eiseres stelt dat zij niet kan fietsen en dat zij geen gebruik kan maken van de deeltaxi. Bij het reizen met de deeltaxi ondervindt zij praktische problemen, bijvoorbeeld als zij haar kinderen naar therapie of het ziekenhuis moet begeleiden. Eiseres verzoekt om vergoeding van geleden immateriële schade, gezien het onbehoorlijk bestuur en handelen van de gemeente. Verweer
- Het college stelt dat autoaanpassing niet nodig is, omdat er meerdere oplossingen zijn waar eiseres voor haar vervoer gebruik van kan maken, te weten de deeltaxi in combinatie met de elektrische fiets. Er is volgens het college dan ook geen noodzaak voor een autoaanpassing. 10.1 Na schorsing van het onderzoek op de zitting heeft het college met de brief van 22 februari 2024toegelicht dat er sprake is van een lopende indicatie voor de maatwerkvoorziening deeltaxi, waarvan eiseres met haar kinderen gebruik kan maken. In alle contacten met eiseres is uitgelegd dat ze gebruik kan maken van de deeltaxi. Zij heeft daarbij nooit aangegeven dat ze problemen ondervindt bij het gebruik van de deeltaxi. Overwegingen van de rechtbank
- De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in vaste rechtspraak heeft overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo voortvloeit dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Daarna moet worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo, in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de Wmo vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn moet het college een maatwerkvoorziening verlenen.
- Het college bestrijdt niet dat eiseres is aangewezen op een vervoersvoorziening ter compensatie van haar beperkingen. Het college stelt dat eiseres voor haar vervoer gebruik kan maken van een elektrische fiets en de deeltaxi, zodat toekenning van een autoaanpassing niet nodig is. Op de zitting van 14 februari 2024 heeft het college dit standpunt herhaald. 12.
- Het standpunt van het college over de elektrische fiets is gebaseerd op het advies van de medisch adviseur van SAP. De rechtbank ziet, gelet op de medische beperkingen van eiseres, reden om te twijfelen aan het advies van SAP dat eiseres zou kunnen fietsen met een speciaal zadel en trapondersteuning. Inmiddels erkent het college ook dat eiseres geen gebruik kan maken van een elektrische fiets. In het onderzoeksverslag van november 2023 naar aanleiding van de melding van eiseres voor een scootmobiel heeft het college gerapporteerd dat eiseres niet voldoende veilig van een fiets op en af kan stappen en op een stuur kan steunen vanwege de pijnklachten in de polsen, enkels, knieën, de evenwichtsklachten en de verminderde handelingssnelheid. De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van een wezenlijke wijziging in de gezondheidstoestand van eiseres ten opzichte van de situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar (29 december 2022). Hieruit volgt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de elektrische fiets voor eiseres als adequate voorziening kon worden aangemerkt. 12.
- Volgens het college kan eiseres ook reizen met de deeltaxi. Zij mag haar kinderen tegen gereduceerd tarief meenemen en reizen in een personenauto. Op de zitting van 14 februari 2024 heeft eiseres naar voren gebracht dat zij geen gebruik kan maken van de deeltaxi en dat zij praktische problemen zal ondervinden bij het reizen met de deeltaxi, bijvoorbeeld als zij haar kinderen van school moet halen om naar een afspraak te reizen. Zij stelt dat zij bij een taxirit geen tussenstop kan maken, maar dan twee losse ritten moet boeken en tussen die ritten wachttijd heeft. Zij stelt dat de kinderen regelmatig te laat op school (speciaal onderwijs in [plaats 2]) zijn dan wel helemaal niet naar school kunnen gaan door het vervoersprobleem. Zij is daarop aangesproken door de school en de kinderbescherming is erbij betrokken. 12.
- De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het college op dit punt onvoldoende is geweest gelet op de zorgtaken van eiseres als alleenstaande ouder. Onderdeel van die zorgtaken is dat eiseres haar kinderen vervoert naar de benodigde therapieën en medische afspraken. Het college heeft niet weersproken dat de kinderen van eiseres niet in staat zijn zichzelf op een veilige manier in het verkeer te bewegen. Het college heeft de vervoersbehoefte en vervoersbewegingen van eiseres en haar kinderen onvoldoende in kaart gebracht. Zo bleek tijdens de zitting van 27 maart 2024 dat het college niet op de hoogte was van de ziekenhuisbezoeken van de dochter van eiseres. Daardoor heeft het college de noodzakelijk ondersteuning niet kunnen vaststellen. Om te kunnen beoordelen of een voorziening een passende bijdrage is als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo had het college in dit concrete geval meer onderzoek moeten doen, specifiek naar de vraag of eiseres als alleenstaande ouder van kinderen met een zorgbehoefte in staat is om bij gebruik van de deeltaxi haar zorgtaken uit te voeren. Hieruit volgt dat het standpunt van het college dat de deeltaxi een passende bijdrage is als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo, voldoende feitelijke grondslag mist. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en berust het niet op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is genomen met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat nieuw onderzoek verricht zal moeten worden, en niet duidelijk is wanneer het onderzoek plaats kan vinden, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van acht weken. 13.
- De rechtbank wijst er overigens op dat het college de goedkoopste adequate voorziening verstrekt. Dat wil zeggen dat het college mag kiezen voor een andere maatwerkvoorziening dan de gevraagde aangepaste auto, mits deze voorziening voor eiseres een passende oplossing biedt voor haar vervoersproblemen. 13.
- Het verzoek van eiseres om vergoeding van schade kan niet worden toegewezen omdat nadere besluitvorming door het college noodzakelijk is. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar het verzoek van eiseres om schadevergoeding moeten betrekken. 13.
- Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Niet gebleken is dat eiseres proceskosten heeft gemaakt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 8 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen. Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. Wet maatschappelijke ondersteuning Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Verordening behandeling bezwaarschriften [plaats 1] 2004 Artikel 2 (Commissie)
- Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaarschriften die zijn ingediend bij een bestuursorgaan op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
- Van de voorbereiding van een beslissing door de commissie zijn uitgesloten: a. bezwaarschriften die zijn ingediend op grond van: -de Ambtenarenwet 1929 c.q. de Uitvoering Arbeidsvoorwaardenregelingen (CAR/BUWO); -de Wet Werk en bijstand, de Algemene Bijstandswet, het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Regeling Opvang Asielzoekers, de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars en de Wet Voorziening Gehandicapten; b. bezwaarschriften tegen beschikkingen, welke door of namens het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente [plaats 1] , gelet op artikel 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 231, tweede lid, onderdelen b en c van de Gemeentewet en de relevante bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken, zijn bekendgemaakt dan wel zijn opgelegd.
- Het college kan, gehoord de commissie, besluiten dat deze verordening voorts niet geldt voor bepaalde, bij dat besluit nader te noemen categorieën van bezwaarschriften.
- Het college gaat bij toepassing van het derde lid niet tot het nemen van het besluit over dan na verkregen instemming van het blijkens de te noemen categorie van bezwaarschriften betreffende bestuursorgaan, tenzij dit het college betreft. Verordening maatschappelijke ondersteuning [plaats 1] 2021 Artikel 3.
- Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze: a. noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; c. in overwegende mate op de cliënt is gericht. Artikel 3.4 1.Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken als collectieve maatwerkvoorziening of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Een collectieve maatwerkvoorziening is een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt. zie onder meer de uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 en van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182.