RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/1442 en 24/1443 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (waterschap Brabantse Delta), de heffingsambtenaar. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 19 januari
- 1.
- De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2019 en 2020 aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimten betreffende het object [adres] te [plaats 2] (het object), met dagtekening 30 september 2021 en respectievelijk aanslagnummer [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] , opgelegd (de aanslagen zuiveringsheffing). 1.
- De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen zuiveringsheffing niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar kennelijk gegrond verklaard en de heffingsambtenaar opgedragen nieuwe uitspraken op bezwaar te doen. 1.
- De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende vervolgens gegrond (de rechtbank leest: ongegrond) verklaard en de aanslagen zuiveringsheffing gehandhaafd. 1.
- De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [naam] namens de heffingsambtenaar. Feiten
- Belanghebbende is eigenaar van het object aan [adres] te [plaats 2] . Het betreft een bedrijfsobject en belanghebbende heeft het pand in eigendom met het oogmerk dit (in delen) te verhuren. In de jaren 2019 en 2020 waren de kantoren verhuurd aan derden. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2019 en 2020 heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Belanghebbende heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere algemeen geformuleerde brieven ter aanvulling daarop ingediend. Op de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd toegelicht welke specifieke gronden in deze zaak aan de orde zijn. De rechtbank zal het beroep beoordelen aan de hand van de op zitting ingenomen standpunten. 3.
- Naar het oordeel van de rechtbank slagen de beroepen van belanghebbende niet en zijn de aanslagen zuiveringsheffing terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Vooraf (I)
- De rechtbank ziet geen aanleiding voor twee afzonderlijke uitspraken, ondanks het verzoek hierom van de gemachtigde van belanghebbende. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aanslagen zuiveringsheffing op dezelfde datum zijn opgelegd en het daarop gevolgde procesverloop voor beide aanslagen aan elkaar gelijk is. In de bezwaar- en beroepschriften zijn namelijk dezelfde argumenten aangevoerd en de zaken zijn gelijktijdig op zitting behandeld. Vooraf (II)
- Belanghebbende stelt dat de bezwaarschriften terecht gegrond zijn verklaard, maar dat een vergoeding van proceskosten ten onrechte achterwege is gebleven. De heffingsambtenaar geeft toe dat in de uitspraken op bezwaar inderdaad is vermeld dat de bezwaren gegrond zijn verklaard, maar hij stelt dat dit een verschrijving is. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar omdat uit al het overige dat vermeld is in de uitspraken op bezwaar overduidelijk blijkt dat het woord ‘gegrond’ een typefout is, de bezwaren dus ongegrond waren volgens de uitspraak op bezwaar en dat in dat geval terecht een vergoeding van proceskosten achterwege is gebleven. De aanslagen zuiveringsheffing
- Onder de naam zuiveringsheffing wordt, ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap. 6.
- De heffingsambtenaar heeft een aanslag zuiveringsheffing opgelegd aan belanghebbende op grond van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2019 (de Verordening 2019) en op basis van 3 vervuilingseenheden. Het tarief bedraagt € 55,39 per vervuilingseenheid. De hoogte van de aanslag zuiveringsheffing 2019 is vastgesteld op (3 x € 55,39 =) € 166,
- Daarnaast heeft de heffingsambtenaar een aanslag zuiveringsheffing opgelegd aan belanghebbende op grond van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2020 (de Verordening 2020), op basis van 3 vervuilingseenheden. De hoogte van de aanslag zuiveringsheffing 2020 is vastgesteld op (3 x het tarief per vervuilingseenheid van € 58 =) €
- Toetsingskader rechtbank
- Onder een bedrijfsruimte wordt verstaan een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een riolering. Heffingsplichtig voor de zuiveringsheffing is degene die gebruiker is van een bedrijfs- ruimte dan wel degene die eigenaar/verhuurder is en de bedrijfsruimte in gebruik heeft gegeven. Een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte voor een pand dat gebruikt wordt in onzelfstandige delen, wordt opgelegd aan de eigenaar/verhuurder. Oordeel rechtbank
- De heffingsambtenaar heeft aan de uitspraken op bezwaar ten grondslag gelegd dat uit diverse verhuuradvertenties en onderzoek gebleken is dat de diverse huurders van de kantoren op de begane grond en de eerste en tweede verdieping gebruik moeten maken van gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen op de begane grond, waardoor de kantoren niet zijn aan te merken als zelfstandige bedrijfsruimten. Hij verwijst daartoe naar een bij de uitspraken op bezwaar gevoegde plattegrond uit een verhuuradvertentie op Funda. De huurders van de onzelfstandige bedrijfsruimten (kantoren) kunnen niet in de zuiveringsheffing worden betrokken. Volgens de heffingsambtenaar zijn de aanslagen daarom terecht opgelegd aan de eigenaar/verhuurder van het object. 8.
- Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat het aan de heffingsambtenaar is om informatie over te leggen over de huurder dan wel huurders van (delen van) het object in de in geschil zijnde belastingjaren. Tevens stelt belanghebbende dat de bij de uitspraken op bezwaar gevoegde plattegrond niet (meer) juist is en dat wel sprake is van zelfstandige kantoordelen, die afsluitbaar zijn en beschikken over een pantry en toilet. 8.
- De rechtbank overweegt dat van een (afzonderlijke) bedrijfsruimte in de zin van de Verordening 2019 en 2020 sprake is als wezenlijke voorzieningen als een toilet en een keuken, en eventueel een douchegelegenheid, allemaal aanwezig zijn in één en hetzelfde afsluitbare deel van een gebouw. De heffingsambtenaar heeft zich onder verwijzing naar onderzoek en een plattegrond op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake is van meerdere onzelfstandige delen van het object. De rechtbank ziet geen reden om aan dit onderbouwde standpunt van de heffingsambtenaar te twijfelen. Als belanghebbende, zoals eerst ter zitting is gesteld, het aantal huurders en de onzelfstandigheid van de delen van het object betwist, dan was hij als verhuurder de aangewezen persoon om een onderbouwing van dit standpunt in te brengen. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten, is zijn enkele stelling van onvoldoende gewicht tegenover het onderbouwde standpunt van de heffingsambtenaar. 8.
- Het voorgaande betekent dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat het object bestaat uit onzelfstandige delen (kantoren) die door belanghebbende aan derden worden verhuurd. De verhuur is aan te merken als het in gebruik geven in de zin van beide Verordeningen. Dat betekent dat belanghebbende heffingsplichtig is en de aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2019 en 2020 terecht aan hem zijn opgelegd. 8.
- De stelling van belanghebbende dat voor latere jaren geen aanslagen zuiveringsheffing aan hem zijn opgelegd, die door de heffingsambtenaar is betwist, maakt dit niet anders. Het dossier bevat namelijk geen gegevens over de andere jaren die betrokken zouden kunnen of moeten worden bij de beoordeling van de aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2019 en
- 8.
- De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar de hoogte van de aanslagen zuiveringsheffing heeft vastgesteld op 3 vervuilingseenheden, zoals gebruikelijk bij kleine bedrijfsruimten. Op elk aanslagbiljet is weliswaar ten onrechte tweemaal het bedrag voor 3 vervuilingseenheden vermeld, maar uit het vermelde totaal blijkt dat het te betalen bedrag overeenkomt met het tarief zoals vermeld in de Verordeningen. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat hij gebruik wil maken van de regeling voor ontheffing of vermindering. De rechtbank kan echter niet ingaan op deze grond, omdat belanghebbende daartoe eerst een aanvraag moet indienen en uit de stukken niet is gebleken van een dergelijke aanvraag. 8.
- De rechtbank concludeert dat de aanslagen zuiveringsheffing 2019 en 2020 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd en niet te hoog zijn vastgesteld. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
- Belanghebbende heeft op 16 januari 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 9.
- De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 december
- De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2025, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 16 maanden. 9.
- Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn wordt de omvang van deze vergoeding in dit geval (gelet op de jurisprudentie en de geldende overgangstermijnen) bepaald op € 500 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van eenmaal € 1.500 voor de twee samenhangende zaken. 9.
- Vervolgens is de vraag aan de orde aan wie de overschrijding van de redelijke termijn toegerekend kan worden. Volgens vaste jurisprudentie moet in een geval waarin een vernietiging van een uitspraak op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. 9.
- In dit geval geldt het volgende. De eerste behandeling van de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 17 januari 2023 heeft geduurd van 22 januari 2023 (de datum van de beroepschriften) tot 22 december 2023 (datum van de eerste uitspraak van deze rechtbank) dus 11 maanden. Dit betekent dat de rechterlijke behandeling niet te lang heeft geduurd. De hernieuwde behandeling van de beroepen van belanghebbende tegen de onderhavige uitspraken op bezwaar van 19 januari 2024 heeft geduurd van 16 januari 2024 (de datum van het beroepschrift) tot de datum van deze uitspraak, zijnde 12 maart 2025, en dus afgerond 14 maanden. Deze hernieuwde, rechterlijke behandeling heeft ook niet te lang geduurd. Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie dient deze overschrijding volledig aan de heffingsambtenaar te worden toegerekend. Gelet hierop zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.
- Conclusie en gevolgen
- De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de aanslagen zuiveringsheffing voor de jaren 2019 en 2020 gehandhaafd blijven. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. 10.
- Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. De rechtbank merkt de zaken ook voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding aan als samenhangende zaken. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 75 en de wegingsfactor 0,
- De vergoeding bedraagt dus € 18,
- De proceskostenvergoeding moet door de heffingsambtenaar worden vergoed. Ter onderbouwing van dit oordeel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die aanleiding geven tot een lagere vergoeding dan de standaard forfaitaire vergoeding. De gemachtigde van belanghebbende vraagt standaard om deze vergoeding, ook in zaken en/of op tijdstippen waarin een overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde is. De door hem ingediende stukken hebben voor een zeer groot deel een uniform karakter en zijn dus niet afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Besluit, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Dat is onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Besluit. De vergoedingen op grond van het Besluit hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. De rechtbank wijkt daarom af van het puntensysteem. 10.2 Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. 10.
- De vergoeding van immateriële schade en proceskosten moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 18,75 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 12 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:
- Artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet, artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2019 en artikel 3, eerste lid, van de Verordening
- Artikel 18, eerste lid, van de Verordening
- Artikel 18, eerste lid, van de Verordening
- Artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening 2019 en de Verordening
- Artikel 3, tweede en derde lid, van de Verordening 2019 en de Verordening
- Artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2019 en de Verordening
- vgl. Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/
- Dit staat in artikel 15 van de Verordening 2019 en de Verordening
- Zie artikel 15, tweede lid, van de Verordening 2019 en de Verordening
- Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:
- Zie de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 14 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:
- Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:
- In navolging van Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:
- Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.