RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11617233 \ VV EXPL 25-14 Vonnis in kort geding van 2 mei 2025 in de zaak van [werknemer] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. M.J. Blom, tegen [werkgever] B.V., te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [werkgever] , vertegenwoordigd door haar [bestuurder] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 april 2025 met producties 1 tot en met 3; de mondelinge behandeling van 25 april
- 1.
- Na sluiting van de mondeling behandeling heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag. 2Het geschil en de beoordeling 2.
- [werknemer] vordert bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] : een bedrag van € 8.580,00 bruto ter zake achterstallig salaris over de periode 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025; een bedrag van € 2.860,00 bruto per maand, te vermeerderen met uit hoofde van de arbeidsovereenkomst verschuldigde emolumenten vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, zijnde € 4.290,00 bruto; een bedrag van € 903,70 (exclusief btw) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten; de wettelijke rente over alle voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd; de kosten van het geding. 2.
- [werkgever] heeft de vorderingen erkend op de mondelinge behandeling. 2.
- De kantonrechter zal de vorderingen toewijzen, nu deze naar haar aard spoedeisend zijn en door [werkgever] zijn erkend. 2.
- [werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 147,92 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) totaal € 1.557,92 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 8.580,00 bruto ter zake achterstallig salaris over de periode 1 november 2024 tot en met 31 januari 2025, 3.
- veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 2.860,00 bruto per maand, vermeerderd met uit hoofde van de arbeidsovereenkomst verschuldigde emolumenten, vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, 3.
- veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van € 4.290,00 bruto, 3.
- veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 903,70 (exclusief btw) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, 3.
- veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd; 3.
- veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.557,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.