vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 11306722 EL EXPL 24-13 Vonnis van 2 april 2025 in de zaak van [lessee] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [lessee] en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 4 september 2024; de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a, een conclusie van antwoord en een eis in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende de conclusie van repliek in conventie en het antwoord in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie in de hoofdzaak; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties, in de hoofdzaak. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De feiten 2.1. [lessee] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [nummer] 22-11-1999 Profit Effect met maandbetaling 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 17-5-2006 - € 6.012,50 Nee, € 238,46 is verrekend met dividenden 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [lessee] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 8.028,68 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee] € 1.407,53 aan dividenden ontvangen en € 1.194,94 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 337,13 aan dividenden verrekend. 2.4. De gemachtigde van [lessee] , Leaseproces, heeft bij brief van 23 september 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten 3.1. [lessee] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: Dexia ex artikel 843a Rv zal veroordelen het aanvraagformulier aan [lessee] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessee] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [lessee] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [lessee] bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessee] van al datgene dat [lessee] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat [lessee] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [lessee] met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [lessee] ex artikel 843a Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [lessee] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend; - in de hoofdzaak: [lessee] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.765,71 en de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [lessee] verschuldigd is uit hoofde van de overeenkomst, [lessee] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. Beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en in de incidenten algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee] . 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [lessee] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 4.4. Dexia stelt dat een eventuele vordering van [lessee] inmiddels is verjaard. Dit verweer wordt niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 4.5. [lessee] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via [de tussenpersoon] . Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [lessee] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [lessee] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [lessee] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [lessee] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [lessee] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.7. [lessee] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “(…) De adviseur was de verzekeringsagent van de ouders van [lessee] . [lessee] woonde destijds nog bij zijn ouders. De adviseur kwam bij de ouders van [lessee] langs om hun verzekeringspakket door te nemen en indien nodig aan te passen. [lessee] en zijn broer waren bij dit gesprek aanwezig. (…) Nadat de adviseur klaar was met het gesprek met de ouders van [lessee] , wendde hij zich tot [lessee] en zijn broer. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en wensen van [lessee] en zijn broer. [lessee] heeft, net zoals zijn broer, aangegeven dat hij in loondienst werkt. Verder is gesproken over de wens van [lessee] om vermogen op te bouwen voor de toekomst om er op financieel gebied beter voor te staan. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een beschikt product voor kon adviseren. (…) De adviseur adviseerde [lessee] om een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met maandelijkse betalingen van ongeveer NLG 250,-. [lessee] diende zijn salaris aan te wenden voor de maandelijkse betalingen van het product. De hoogte werd geadviseerd door de adviseur, die het bedrag baseerde op het inkomen en de lage lasten van [lessee] , hetgeen de adviseur ook bij zijn broer heeft gedaan. Omdat [lessee] minder verdiende dan zijn broer, is in samenspraak met de adviseur gekozen om slechts één Profit Effect overeenkomst af te sluiten. Volgens de adviseur zou het Profit Effect product aanzienlijk kapitaal opleveren waardoor [lessee] zijn wens om vermogen op te bouwen voor de toekomst zou kunnen realiseren. (…) De adviseur heeft [lessee] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [lessee] op deze risico’s gewezen was, had hij het Profit Effect product nooit afgesloten. (…) [lessee] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [lessee] het advies van de adviseur opgevolgd. [lessee] heeft een Profit Effect overeenkomst afgesloten met maandelijkse betalingen van NLG 249,20. De aanvraag van het product werd door de adviseur in gang gezet en de uiteindelijke overeenkomst is per post ter ondertekening naar [lessee] verstuurd. (…)”. 4.8. [lessee] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 22 november 1999 met contractnummer [nummer] , voorzien van het adviseursnummer: [adviseursnummer], - een vonnis van de kantonrechter Middelburg onder [zaaknummer] tussen Dexia en [de broer] , broer van [lessee] , die, aldus [lessee] , in hetzelfde gesprek als hij is geadviseerd. In het vonnis is geoordeeld dat het beroep van de broer van [lessee] op de vergunningplichtige advisering slaagt,- het proces-verbaal van een voortgezet getuigenverhoor van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, waarin de verklaring van [de directeur] , directeur van [de tussenpersoon] B.V. In de verklaring is met betrekking tot effectenleaseproducten opgenomen: “(…) We hadden deze producten in onze portefeuille. Daarnaast hadden we ook producten van Aegon en AMF. Ik heb het product aangeraden (…) Op uw vraag wat [de tussenpersoon] merkte van het promoten van deze producten zeg ik u dat wij post ontvingen over de producten en dat we bezoek kregen van vertegenwoordigers nu ook wel accountmanagers genoemd over deze producten. Daarbij werd verteld over hoe de producten werkten en wat de beloning was voor ons. Dit soort gesprekken waren verkoop gedreven. (…) De betreffende producten waren destijds booming en werden als interessant aangeprezen in de trend van ‘neem mee in uw tas en adviseer het product bij uw klant’. (…)”, - een kopie van een uittreksel van de KvK van [bedrijf] B.V. met als statutaire naam [de tussenpersoon] B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden onder andere ‘Assurantiebemiddelingsbedrijf (erkend assurantie-agent). Bemiddeling bij hypotheken, pensioenen, financieringen.’. 4.9. Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [lessee] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [lessee] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [lessee] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.