RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 11348454 \ CV EXPL 24-3502 Vonnis van 7 mei 2025 in de zaak van 1 [verhuurder 1], te [plaats 1],
- [verhuurder 2], te [plaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [verhuurders], gemachtigde: mr. A.B. Robijn, tegen [huurder] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [huurder], procederend in persoon. 1De zaak in het kort [huurder] heeft een stacaravan gehuurd van [verhuurders] voor een huurprijs van € 500,00 per maand. In deze zaak beoordeelt de kantonrechter of [huurder] ten onrechte vier maanden de huur onbetaald heeft gelaten. 2De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 november 2024 - de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling waren [verhuurder 1] en mr. A.B. Robijn aanwezig. [huurder] was niet aanwezig. 3Het geschil 3.
- [verhuurders] vordert dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.386,22 (€ 2.000,00 aan hoofdsom, € 86,22 aan wettelijke rente tot en met 11 september 2024 en € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening. [verhuurders] vordert ook dat [huurder] in de proceskosten wordt veroordeeld. [verhuurders] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 3.
- [verhuurders] baseert zijn vordering op de huurovereenkomst tussen partijen. Op grond van deze huurovereenkomst is [huurder] verplicht om maandelijks de huurprijs te voldoen. [huurder] heeft ten onrechte vier maanden onbetaald gelaten. [verhuurders] vordert dan ook nakoming van deze betalingsverplichting. 3.
- [huurder] betwist dat er een huurachterstand bestaat van vier maanden. Daartoe voert zij aan dat er één maand huur is betaald door een vriend, die het contant in de brievenbus van [verhuurders] heeft gedaan omdat zij afwezig waren. Verder voert [huurder] aan dat partijen eind november/begin december mondeling hebben afgesproken dat eerst gewerkt zou worden aan de staat van de caravan voordat zij huur zou moeten betalen. Daar komt volgens [huurder] ook nog bij dat de caravan drie en een halve maand bewoond is geweest en dat daarom geen huurachterstand van vier maanden kan bestaan. Volgens [huurder] is de huurovereenkomst ingegaan op 19 oktober 2023 en is zij vertrokken op 9 februari
- 4De beoordeling De huurachterstand en wettelijke rente 4.
- De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de huurovereenkomst is ingegaan op 15 oktober 2023 en dat [huurder] tussen 24 februari 2024 en 27 februari 2024 is vertrokken. Als begindatum wordt 15 oktober 2023 vastgesteld, omdat uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat telkens om betaling van de huur werd verzocht vanaf de 15e van de ene maand tot de 15e van de andere maand. [huurder] heeft hier niet tegen geprotesteerd. Als vertrekdatum wordt aangenomen dat dit tussen 24 februari en 27 februari 2024 is, omdat uit WhatsApp-correspondentie blijkt dat [huurder] op 24 februari 2024 in elk geval nog in de caravan verbleef. Verder heeft [verhuurders] tijdens de zitting onweersproken verklaard dat zij 27 februari 2024 bij de caravan zijn gaan kijken en [huurder] op dat moment vertrokken was zonder iets te melden. Gelet op deze vertrekdatum is [huurder] – redelijkerwijs – verplicht om de huur te betalen tot 15 maart
- 4.
- De gevorderde huurtermijnen zien op de termijnen van 15 november 2023 – 15 december 2023, 15 december 2023 – 15 januari 2024, 15 januari 2024 – 15 februari 2024 en 15 februari 2024 – 15 maart
- [huurder] stelt dat zij eenmalig € 500,00 contant huur heeft betaald en zij voor de rest geen huur was verschuldigd op basis van mondelinge nadere afspraken. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, omdat deze stellingen door [verhuurders] gemotiveerd zijn betwist en door [huurder] niet zijn onderbouwd. 4.
- De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een huurachterstand van vier maanden. [huurder] is daarom de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente verschuldigd. De buitengerechtelijke incassokosten 4.
- [verhuurders] komt in aanmerking voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het wettelijke tarief. Daarom wordt € 300,00 toegewezen. De proceskosten 4.
- [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 136,72 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 894,72 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 2.386,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening, 5.
- veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 894,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.