RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-033752-25 en 02-409490-24 (ttzgev) vonnis van de meervoudige kamer van 30 mei 2025 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats], adres: [woonplaats], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught, raadsvrouw mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat te Oisterwijk. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 mei 2025, waarbij de officier van justitie mr. E.M.L. Warmoeskerken en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2De tenlastelegging De tenlastelegging onder parketnummer 02-033752-25 is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal en een winkeloverval met een mes. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft beide feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van: - het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 30 december 2024, opgenomen op pagina 5 tot en met 8 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024332768 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 28 en - het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [naam] van 31 januari 2025, opgenomen op pagina 9 tot en met 25 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025026062 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 94; - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 16 mei 2025; 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-409490-24 op 30 december 2024 te [plaats] levensmiddelen, die aan [winkel 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 02-033752-25 op 31 januari 2025 te [plaats] contant geld, dat aan [winkel 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een medewerker van de [winkel 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door een mes te tonen en hiermee te zwaaien in de richting van voornoemde medewerker. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte staat daar zelf ook achter. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Op 30 december 2024 pleegde verdachte een winkeldiefstal. Nog geen maand nadat de voorlopige hechtenis van verdachte voor dit feit geschorst werd, pleegde verdachte een winkeloverval. Gewapend met een mes is hij bij [winkel 2] binnengegaan en heeft een negentienjarige winkelmedewerkster de schrik van haar leven bezorgd door met het mes in haar richting te zwaaien en naar haar toe te lopen. Vervolgens heeft verdachte zelf de kassa losgetrokken en een greep uit de geldlade gedaan. Op de op zitting getoonde beelden van de overval is de grote impact te zien die het handelen van verdachte heeft gehad op de jonge medewerkster die bij de kassa stond. Na het vertrek van verdachte blijft zij eerst in de buurt van de kassa achter de toonbank staan, waar zij haar handen voor haar gezicht slaat. Kort daarna loopt zij weg richting vermoedelijk een collega, terwijl zij in hevig huilen uitbarst. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Verdachte heeft slechts oog gehad voor het geld in de kassalade en de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen waren van ondergeschikt belang. Met de winkeloverval heeft hij sterke gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de direct betrokken jonge medewerkster, maar ook bij haar aanwezige collega’s en de klanten die direct of indirect getuige waren. Ook anderen die hiervan horen of over lezen zullen geschokt zijn door dit gewelddadige incident. Uit zijn strafblad van zestien pagina’s van 8 april 2025 blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten tot onder meer vrijheidsbenemende straffen. Daarop aansluitend heeft de reclassering in het rapport van 2 mei 2025 geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Volgens de reclassering is verdachte bekend met een verstandelijke beperking, een langdurig verleden van middelenmisbruik en een psychotische kwetsbaarheid. Op grond van zijn problematiek komt hij in aanmerking voor langdurige intensieve zorg binnen een beschermde woonvorm. Ondanks intensieve inzet is het echter de afgelopen jaren niet gelukt om verdachte toe te leiden naar passende zorg. Dit kan worden toegeschreven aan de complexiteit van de problematiek van verdachte in combinatie met het feit dat hij zich zorgmijdend opstelt. Het is aannemelijk dat het delictgedrag van verdachte samenhangt met een onvermogen om problemen adequaat te hanteren. Hierdoor lukt het hem niet om een stabiel en delictvrij leven op te bouwen. Inmiddels is verdachte al jaren dak- en thuisloos en ontbreekt het hem aan een zinvolle dagbesteding. Mede door het voortdurende middelengebruik zijn er ook problemen op het gebied van financiën. Het herhalingsgevaar wordt ingeschat als hoog en er worden geen mogelijkheden gezien om middels een reclasseringstoezicht de risico's te beperken en/of gedragsverandering te bewerkstelligen. De rechtbank is op grond van de bevindingen van de reclassering van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Verdachte staat zelf ook open voor deze plaatsing. Bovendien is voldaan aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Voor de door verdachte begane misdrijven is immers voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Ook zijn de feiten begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel. De rechtbank wil de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen geven en ook de maatschappij zo optimaal mogelijk beschermen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering wordt gebracht. 7De benadeelde partij 02-033752-25 De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.838,04 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor de overval onder parketnummer 02-033752-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.