RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/433340 / JE RK 25-541 Datum uitspraak: 23 mei 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, zonder bekend woon- of verblijfplaats, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. C.C. Boshouwers te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. Wegens de onderlinge samenhang is het verzoek gelijktijdig behandeld met het (resterende) verzoek van de man tot eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen (zaaknummer: C/02/419806 / FA RK 24-1030). Op het verzoek van de man is bij separate beschikking beslist. In het kader van dit verzoek was de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, aanwezig tijdens de zitting. 2De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 april 2024 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 30 mei 2025. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 30 augustus 2024 en is het resterende deel van dat verzoek aangehouden tot 2 augustus 2024 pro forma. Deze beschikking is hersteld bij beschikking van 21 mei 2024, omdat daarin abusievelijk de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg stond vermeld, terwijl de kinderen uit huis waren geplaatst bij de ouder met gezag (de vader). Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 8 april 2025 is het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen, omdat de GI dit niet heeft gehandhaafd. 2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 mei 2024 is het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader bepaald. 3Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangegeven dat de kinderen sinds de uithuisplaatsing op 7 juli 2023 bij de vader verblijven. Zij ontwikkelen zich daar goed. De kinderen hebben echter sinds oktober 2023 vrijwel geen contact meer met de moeder. Het laatste contact heeft, begeleid door de GI, plaatsgevonden net na de vorige zitting in april 2024. Sindsdien hebben de kinderen geen contact meer met de moeder. De GI acht dit contactverlies zorgelijk. De moeder reageert echter niet op uitnodigingen van de GI voor een gesprek, waardoor er geen afspraken worden gemaakt. De GI is zelfs onverwachts naar de vermoedelijke woning van de moeder in Duitsland gegaan, maar ook dit heeft niet geleid tot contact. De moeder is onbereikbaar voor de GI. Ook voor de vader is de moeder vrijwel onbereikbaar. Daardoor is de gezamenlijke uitoefening van het gezag niet mogelijk. Als de vader alleen het gezag over de kinderen zal dragen, zal de GI de ondertoezichtstelling afsluiten. Gezien de complexe voorgeschiedenis en de situatie met de moeder acht de GI een goede overdracht aan de gemeente noodzakelijk. In dat geval vindt de GI een duur van drie maanden verlenging van de ondertoezichtstelling voldoende. 4.2. De vader is het eens met de beperkte duur van de ondertoezichtstelling als hij alleen met het gezag over de kinderen wordt belast. Hij is gebaat bij een goede overdracht aan de gemeente, zodat hij daar terecht kan als de moeder weer in staat is het contact met de kinderen aan te gaan. 5De beoordeling 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.