← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:3304

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/224560-24 vonnis van de meervoudige kamer van 28 mei 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , raadsman mr. J. van Weers, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 mei 2025. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. samen met een ander of anderen heeft geprobeerd een onbekend gebleven persoon opzettelijk, al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven; 2. een vuurwapen voorhanden heeft gehad; 3. samen met een ander of anderen heeft geprobeerd de bewoner(

  1. s)van de woning aan [adres] opzettelijk van het leven te beroven. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert verdachte van de aan hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs en verzoekt hem vrij te spreken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 De rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, nu er geen bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde handelingen zelf heeft gepleegd en ook niet is komen vast te staan dat de betrokkenheid van verdachte bij die handelingen zodanig is geweest dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. Ook bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, zoals ten laste gelegd onder feit 2. De rechtbank zal verdachte dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijspreken. 5De overwegingen omtrent het beslag. 5.1 De teruggave aan verdachte De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen personenauto aan verdachte, aangezien deze personenauto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen. 6De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten: * 1.00 stuks Personenauto [kenteken] (Omschrijving: PL2000-2024173068-G1245387, Zwart, merk: Toyota, chassisnr: [nummer] , bouwjaar 2009). Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 mei 2025. 7Bijlage I De tenlastelegging 1. hij op of omstreeks 9 juli 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
  2. s)voorgenomen misdrijf om een onbekend gebleven persoon opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven te beroven meermalen met een vuurwapen op/in de richting van die persoon heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2. hij op of omstreeks 9 juli 2024 te [plaats] een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, een Glock, model 26, 9x19 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie ) 3. hij op of omstreeks 9 juli 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
  3. s)voorgenomen misdrijf om de bewoner(
  4. s)van de woning gelegen aan [adres] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen in de richting van/op de ruit van de woonkamer van voornoemde woning te schieten terwijl een bewoner in die woning aanwezig was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.