Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:3330
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2259 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2025 in de zaak tussen [verzoeker] h.o.d.n. [onderneming] , uit [plaats] , (gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer), en de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.
Inleiding 1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van 2 april 2025 (bestreden besluit) inzake de intrekking van de alcoholwetvergunning en weigering van de aangevraagde exploitatievergunning.
Verzoeker heeft op 1 mei 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Feiten 2. Op 6 mei 2004 is aan verzoeker een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening van de horeca-inrichting ‘ [onderneming] ’ (alcoholwetvergunning). Op 5 december 2023 is deze horeca-inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden.
Het verzoek 6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker voor de duur van deze procedure geacht moet worden te beschikken over een alcoholwet- en exploitatievergunning.
Beoordeling 7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter dient te beoordelen of verzoeker in zodanige omstandigheden verkeert dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de beroepsprocedure afwacht.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken dat hij zijn café weer kan openen. Hiervoor heeft hij zowel een alcoholwetvergunning als een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) nodig. Het verzoek ziet er op te bepalen dat verzoeker over beide vergunningen wordt geacht te beschikken. Het inwilligen van een dergelijk verzoek is zeer vergaand in het kader van een voorlopige voorziening. Dat geldt temeer voor de exploitatievergunning, nu nog niet eerder een exploitatievergunning is verleend. Aan een exploitatievergunning worden normaliter diverse voorwaarden verbonden, onder andere ten aanzien van openings- en sluitingstijden, waarover nu geen enkele duidelijkheid is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek naar zijn aard dan ook te verstrekkend om bij wijze van voorlopige voorziening te worden toegewezen.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 22 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.