RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-200877-24 en 02-389519-24 (ter terechtzitting gevoegd) vonnis van de meervoudige kamer van 6 juni 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997, te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [PI] , raadsvrouw mr. M. Timmermans-Roelands, advocaat te Bergen op Zoom. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 mei 2025, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd volgens artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Parketnummer 02.200877.24: op 19 juni 2024 [slachtoffer 1] heeft geslagen tegen het hoofd, primair tenlastegelegd als poging zware mishandeling en subsidiair als mishandeling van een ambtenaar in functie (feit 1) en dat hij op diezelfde dag [slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft geslagen, tenlastegelegd als mishandeling van een ambtenaar in functie (feit 2). Parketnummer 02.389519.24: op 20 november 2024 [slachtoffer 3] tegen het gezicht heeft gestompt, tenlastegelegd als mishandeling van een ambtenaar in functie. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Verdachte dient te worden vrijgesproken van primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling onder feit 1 van parketnummer 02.200877.24 en het feit onder parketnummer 02.389519.24. De officier van justitie acht de tenlastegelegde drie mishandelingen, te weten feit 1 subsidiair en feit 2 onder parketnummer 02.200877.24 en het subsidiaire feit onder parketnummer 02.389519.24, wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde pogingen tot zware mishandeling onder beide parketnummers. Ook voor de overige ten laste gelegde feiten bepleit de verdediging vrijspraak. Deze feiten zijn namelijk gelet op het rapport van psychiater Van Os van 2019 niet toe te rekenen aan verdachte vanwege zijn psychische gesteldheid. Tot slot zijn de ggz medewerkers geen ambtenaren als bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat dat onderdeel van de tenlastelegging in ieder geval niet kan worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Is er sprake van poging zware mishandeling? Parketnummer 02.200877.44 feit 1 primair: Op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II staat voor de rechtbank vast dat verdachte op 19 juni 2024 in [plaats 1] GGZ medewerker [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd heeft gestompt. Bij een poging tot zware mishandeling moet het vereiste (voorwaardelijk) opzet gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van voorwaardelijke opzet is sprake indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is er te weinig concrete informatie beschikbaar over het handelen van verdachte om te kunnen stellen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Niet duidelijk is hoe vaak er is geslagen en met welke kracht dat is gebeurd. Over de kracht waarmee geslagen is, wordt te weinig verklaard om een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewezen te kunnen achten. Ten aanzien van de vraag hoeveel er is geslagen, lopen de verklaringen van aangever en verdachte uiteen, terwijl de getuige dit zelf niet heeft waargenomen. Ook de medische informatie in het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. Parketnummer 02.389519.24 primair: Op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II staat voor de rechtbank vast dat verdachte op 20 november 2024 in [plaats 2] een ggz medewerker, te weten [slachtoffer 3] , driemaal met de vuist in het gezicht heeft gestompt. Uit het dossier volgt niet dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onduidelijk is met welke kracht en intensiteit dat stompen is gebeurd. Hoewel de getuige spreekt over het met kracht stompen, ontbreken hiervoor verdere, concrete aanwijzingen. Uit de medische verklaring en de foto’s waarop het letsel van [slachtoffer 3] te zien is, volgt namelijk dat het letsel beperkt is. Ook hier kan de rechtbank dan ook niet concluderen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Daarom zal vrijspraak volgen. Is er sprake van mishandeling? Onder parketnummer 02.200877.24 is al vastgesteld dat verdachte ggz medewerker [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd heeft gestompt. Ook heeft verdachte ggz medewerker [slachtoffer 2] een klap tegen haar hoofd gegeven. Dit volgt uit de aangiftes van voornoemde personen die elkaar ondersteunen. Ten aanzien van parketnummer 02.389514.25 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte ggz medewerker [slachtoffer 3] driemaal met een vuist in het gezicht heeft gestompt, zoals volgt uit de aangifte van [slachtoffer 3] en de getuigenverklaring van [getuige] . Deze handelingen kunnen juridisch worden gekwalificeerd als mishandeling. Is er sprake van volledige ontoerekeningsvatbaarheid? De rechtbank ziet zich, gelet op het verweer van de raadsvrouw, voor de vraag gesteld of verdachte toerekeningsvatbaar is, omdat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken in het geval hij volledig ontoerekeningsvatbaar is. De rechtbank verwijst hiertoe naar het kopje strafbaarheid van de verdachte (5.2 in het vonnis) waarin gemotiveerd is aangegeven waarom de rechtbank komt tot verminderde toerekeningsvatbaarheid. Gelet op deze conclusie kan niet tot vrijspraak van de mishandelingen worden gekomen. Is er sprake van ambtenaren als bedoeld in artikel 304 Sr? De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of verdachte zich door deze handelingen schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van ambtenaren. Op grond van vaste rechtspraak is een ambtenaar iemand die door het openbaar gezag is aangesteld in een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of van zijn organen te verrichten. Onder ambtenaar is tevens begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Het begrip is dus ruimer dan de definitie die wordt gegeven in artikel 1 Ambtenarenwet. Verdachte verbleef in beide klinieken op basis van een rechterlijke machtiging. De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De ggz medewerkers die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als ambtenaren in de zin van de artikel 304 Sr. Van belang is dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van die ggz medewerkers in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkene (de verdachte) zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). Weliswaar is dit extern toezicht, die omstandigheid laat onverlet dat de IGJ over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling. De omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen deze ggz medewerkers en hun werkgever geen publiekrechtelijk, maar een privaatrechtelijk karakter heeft, doet, in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, niet ter zake. De privaatrechtelijk georganiseerde wijze van het leveren van verplichte en gedwongen zorg is het gevolg van democratisch genomen besluiten over de uitoefening van overheidstaken. Aan de functie van een ggz medewerker die haar of zijn functie uitoefent in het kader van de Wvggz kan een openbaar karakter dan ook niet worden ontzegd. Concluderend stelt de rechtbank vast dat de ggz medewerkers in onderhavige zaak als ambtenaren kunnen worden aangemerkt. Conclusie Wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandelingen van ambtenaren, zoals tenlastegelegd onder feit 1 subsidiair en feit 2 onder parketnummer 02.800744.24 en het subsidiaire feit onder parketnummer 02.389519.24. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Parketnummer 02.800744.24: 1. Subsidiair: op 19 juni 2024 te [plaats 1] een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (medewerker GGZ) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] voornoemd meerdere malen, tegen het hoofd te stompen; 2op 19 juni 2024 te [plaats 1] een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] (werkzaam voor GGZ) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd een klap tegen het hoofd te geven; Parketnummer 02.389519.24: Subsidiair: op 20 november 2024 te [plaats 2] een ambtenaar, [slachtoffer 3] , (ggz medewerker bij [ggz-instelling 1] ) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] ;- meermalen, met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht te stompen; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. 5.2 Strafbaarheid van de verdachte In het dossier zit geen recent advies over de toerekenbaarheid van verdachte in relatie tot onderhavige strafbare feiten. Er zijn rapporten uit 2019 waarin de psychiater ten aanzien van toen bekende strafbare feiten destijds heeft geconcludeerd dat die strafbare feiten niet aan verdachte konden worden toegerekend. De psycholoog heeft destijds geadviseerd dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank stelt echter vast dat verdachte vanaf 2019 veelvuldig is behandeld, waarbij ook medicatie aan hem is voorgeschreven. Aan de bovengenoemde rapporten kan naar het oordeel van de rechtbank vanwege het tijdsverloop en de behandelingen die na 2019 nog hebben plaatsgevonden, geen doorslaggevende waarde meer worden gehecht met betrekking tot de onderhavige verdenkingen. De psycholoog en psychiater die in november en december 2024 in onderhavige strafzaak hebben gerapporteerd, hebben aangegeven dat verdachte niet wilde meewerken aan het onderzoek en hebben daarom geen antwoord kunnen geven op de gestelde vragen. Volgens de psycholoog zijn er wel sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van psychopathologie bij verdachte in de vorm van schizofrenie en voor verslavingsproblematiek. Ook de psychiater benoemt dat op basis van de uitgebreide hoeveelheid verzamelde informatie, waaronder het eerdere onderzoek van onderzoeker in 2019, er sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van psychopathologie. Het is volgens de psycholoog aannemelijk dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. De rechtbank concludeert op basis van het voorstaande dat verdachte lijdt aan schizofrenie en dat sprake is van verslavingsproblematiek. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank echter niet vaststellen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Niet is gebleken dat dat de verdachte door die stoornissen ieder inzicht in de reikwijdte van zijn handelen ontbeerde. Dit maakt dat de rechtbank de feiten aan verdachte toerekent. Wel zal de rechtbank dit in verminderde mate doen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze stoornissen enige invloed gehad op het handelen van verdachte. Verdachte is dan ook strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid volledig uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen tbs met verpleging van overheidswege. 6.2 Het standpunt van de verdediging Mocht er een straf of maatregel opgelegd worden, dan is de tbs met dwangverpleging zoals door de officier van justitie is geëist, niet passend. Er dient te worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van drie ggz medewerkers die op dat moment als ambtenaar werkzaam waren in instellingen waar verdachte op dat moment verbleef. Het zijn zeer vervelende feiten, vooral omdat het om mensen gaat die op hun werk met geweld en agressie te maken krijgen. Dit zorgt voor veel onrust op de werkvloer bij medewerkers en bij patiënten, nog los van de fysieke en emotionele gevolgen die het handelen van verdachte voor de slachtoffers heeft gehad. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke straf en/of maatregel passend en geboden is en het meest recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Daarbij is van belang dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De reclassering heeft in het rapport van 9 mei 2025 negatief geadviseerd over het opleggen van een tbs met voorwaarden omdat verdachte niet in staat is zich langdurig te conformeren aan opgelegde voorwaarden en afspraken met de reclassering. Daarnaast is onvoldoende duidelijk in hoeverre forensische interventies bij kunnen dragen aan gedragsverandering en het beperken van recidive. Gelet hierop acht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel, al dan niet met bijzondere voorwaarden, niet passend. De volgende vraag is of oplegging van tbs met dwangverpleging een passende maatregel is. Daarvoor is vereist dat er
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.