← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:3805

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats Middelburg parketnummer : 02-362668-24 raadkamernummer : 25-006415 & 25-006416 datum : 20 mei 2025 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend ten kantore van mr. T. Scheffer, Falckstraat 14, 1017 VW Amsterdam, hierna te noemen: de verzoeker. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:  het op 6 maart 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: - € 780,00, € 780,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis;  het op 6 maart 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: - € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 13 januari 2025; de schriftelijke reactie van de officier van justitie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Het verzoek is behandeld op 20 mei

  1. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, verzoeker en mr. M.C.W. Houtepen als waarnemend advocaat van verzoeker gehoord. De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat er voldoende bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor een hoger bedrag dan de forfaitaire vergoeding moet worden toegekend voor de ondergane inverzekeringstelling. Doordat verzoeker als klokkenluider naar voren is gestapt, heeft hij ten tijde van de inverzekeringstelling angst ervaren voor zichzelf, maar ook voor zijn naasten. Die angst is gelegen in de dreigingen en het veiligheidsrisico dat daarmee in het leven werd geroepen. Hij heeft de inverzekeringstelling als onrechtvaardig en stressvol ervaren, zo stelt verzoeker. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een hogere dan de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voor het overige persisteert de officier van justitie bij het eerdere schriftelijke standpunt. 2De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld. Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering heeft doorgebracht. Verzoeker heeft 2 dagen in verzekering doorgebracht op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijk gehanteerde standaardbedrag. Er kan niet worden geoordeeld dat verzoeker meer dan gebruikelijk is getroffen door de inverzekeringstelling. De gestelde feiten en omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende. Dat verzoeker zich bedreigd heeft gevoeld, vindt zijn oorzaak niet in de inverzekeringstelling maar in de melding die door verzoeker is gedaan. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 260,
  2. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 260,00, bestaande uit schade wegens ondergane inverzekeringstelling; wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer; wijst de verzoeken voor het overige af; bepaalt dat een bedrag van € 940,00 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Kuijpers & Nillesen Advocaten te Amsterdam, onder vermelding van “ [kenmerk] ”. Deze beslissing is op 23 mei 2025 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 23 mei
  3. De griffier is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.