← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:3846

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1893 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 18 juni 2024 tegen de beslissing van 4 juni
  2. Eiseres is het niet eens met de belastbaarheid zoals die is gesteld bij de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomsten naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 29 april
  3. 1.
  4. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
  5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond?
  6. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 18 juni
  7. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 2 januari 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
  8. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.
  9. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.
  10. Het UWV heeft in het verweerschrift van 7 mei 2025 aangegeven dat de beslistermijn inderdaad niet gehaald is en de reden hiervan het tekort aan verzekeringsartsen is. Het UWV geeft aan dat de capaciteit inmiddels nog uit een beperkt aantal verzekeringsartsen bestaat. Het UWV geeft in het verweerschrift tevens aan dat er inmiddels een hoorzitting is ingepland op 27 mei
  11. De verwachting is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarna ongeveer vier weken nodig heeft voor het beoordelen van de bezwaargronden en het opstellen van een rapportage. Indien er nog inschakeling van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep noodzakelijk is, dan krijgt die normaliter een termijn van vier weken om onderzoek te doen. Ten slotte stelt het UWV voor om drie maanden de tijd te krijgen om alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken. 4.
  12. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. Gelet op de datum van de hoorzitting en de sindsdien verstreken tijd acht de rechtbank het in dit geval redelijk dat het UWV nog zes weken de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar. Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
  13. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.
  15. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder
  16. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
  17. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Stevens, griffier, op 25 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.