RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/3065 en 25/3068 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] als eigenaar van [bedrijf] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. B. Çiçek), en De burgemeester van de gemeente Tilburg (gemachtigde: mr. B.J.P.G. Roozendaal). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het bevel tot sluiten van [bedrijf] . De burgemeester heeft het bevel tot sluiting gegeven omdat eiser leden van de verboden [motorclub 1] structureel en periodiek heeft toegelaten tot zijn café. Ze hadden daar elke drie weken clubavond. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de burgemeester terecht een bevel tot sluiting heeft gegeven. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De burgemeester was bevoegd een bevel tot sluiting te geven en mocht dat in redelijkheid ook doen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep en het beroep ongegrond is, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Daarbij gaat de voorzieningenrechter in op de vraag of er sprake was van een ernstige verstoring van de openbare orde en of de burgemeester dus bevoegd was om tot sluiting over te gaan. Ook wordt ingegaan op de vraag of de sluiting evenredig is. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester het bevel tot sluiting in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn [partner] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester. 2.2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet verder kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 24 januari 2025 vindt er een inval plaats bij [bedrijf] , omdat de politie vermoedt dat hier bijeenkomsten plaatsvinden van de verboden [motorclub 1] . (Voormalige) leden worden daadwerkelijk aangetroffen. 3.1. Op 17 februari 2025 maakt de burgemeester het voornemen bekend om [bedrijf] gedurende zes maanden te sluiten. Eiser reageert schriftelijk op dit voornemen. 3.2. Op 26 februari 2025 (op schrift gesteld op 27 februari 2025) heeft de burgemeester verzoeker opgedragen zijn [bedrijf] aan [adres] met ingang van 26 februari 2025, 17.00 uur te sluiten voor de duur van zes maanden. 3.3. Eiser maakt hiertegen bezwaar en vraagt om een voorlopige voorziening bij de rechtbank. Op 28 februari 2025 wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe en besluit zij het bevel tot sluiting te schorsen tot twee weken na de beslissing op bezwaar. 3.4. Op 17 juni neemt de burgemeester de beslissing op bezwaar. Hij besluit het sluitingsbevel van 26 februari 2025 in stand te laten, met dien verstande dat de dagen dat [bedrijf] open is geweest als gevolg van de schorsing door de voorzieningenrechter, niet hoeven te worden ingehaald. Toetsingskader 4. De sluiting is primair gebaseerd op artikel 72b van de Algemene plaatselijke verordening Tilburg (APV) en subsidiair op artikel 174 van de Gemeentewet. Het openbare orde-begrip in het kader van artikel 174 van de Gemeentewet en artikel 72b van de APV moet beperkt worden uitgelegd. De burgemeester moet aantonen dat er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. Als die er niet is, is hij niet bevoegd om tot sluiting te bevelen. 4.1. Deze zaak is al eerder door de voorzieningenrechter beoordeeld. De voorzieningenrechter wijst erop dat zij in deze zaak de beslissing op bezwaar beoordeelt en niet het primaire besluit van 26 februari 2025. De burgemeester heeft de motivering en onderbouwing van het besluit aangepast en nieuwe feiten aan het besluit ten grondslag gelegd, om zo het primaire besluit te verbeteren. Dat maakt dat, hoewel het toetsingskader hetzelfde is, de uitkomst van de juridische toets die de voorzieningenrechter in deze zaak doet wezenlijk anders kan zijn dan bij de beoordeling van het primaire besluit. 4.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Wat is er besloten? 5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester besloten het bezwaar ongegrond te verklaren, maar het besluit van 26 februari 2025 niet voor de volle duur van zes maanden te effectueren. De reeds verstreken periode vanaf het primaire besluit wordt op de feitelijke sluitingsduur in mindering gebracht. Formeel is dus nog steeds besloten om [bedrijf] voor zes maanden te sluiten. De resterende periode van sluiting is echter beperkt tot 1 juli 2025 tot en met 26 augustus 2025 om 17:00 uur. Inhoudelijke beoordeling Is er sprake van een (dreiging van) verstoring van de openbare orde? 6. De burgemeester stelt dat het enkele feit dat (oud-)leden van een verboden organisatie nog steeds in georganiseerd verband bij elkaar komen al kan worden aangemerkt als een ernstige verstoring van de openbare orde. Het doet er dan niet toe of zij samen een biertje drinken of bij wijze van spreken samen gaan bowlen. De burgemeester verwijst daarbij naar eerdere rechtspraak. Daarbij komt nog het feit dat er iedere keer dat er clubavond was portiers aanwezig waren die herkenbaar waren als lid van [motorclub 1] of een gerelateerde organisatie, van wie er op 24 januari 2025 één een vlindermes bij zich had. De vechtpartij die in juni 2024 bij een nabijgelegen horecagelegenheid heeft plaatsgevonden en waarbij ook (oud-)leden van [motorclub 1] betrokken waren, was aanleiding voor de politie om onderzoek te doen naar de connectie tussen [bedrijf] en [motorclub 1] , maar onderstreept ook het probleem dat [motorclub 1] veroorzaakt voor de openbare orde. 6.1. Eiser vindt dat er geen sprake is of is geweest van een actuele en concrete verstoring van de openbare orde. Eiser bestrijdt dat er beveiligers voor de deur stonden. In het café mag niet gerookt worden. Degenen die de politie heeft gezien stonden mogelijk gewoon buiten te roken. Eiser ziet geen verband tussen de vechtpartij schuin tegenover en de oud-leden die bij hem binnen komen. Hij wijst er ook op dat de burgemeester volgens de ABRvS een pand alleen mag sluiten als de openbare orde nog steeds is verstoord. Daar is geen sprake van. 6.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een ernstige verstoring van de openbare orde en dat hij dus bevoegd was om een bevel tot sluiting te geven. Uit de bestuurlijke rapportage van 14 februari 2025 volgt onder meer dat de politie op de vrijdagen 25 oktober 2024, 15 november 2024, 6 december 2024 en 27 december 2024 personen die zij ambtshalve herkennen als [motorclub 1] -leden naar binnen zien gaan en dat op die avonden de hele avond portiers of beveiligers voor de deur blijven staan. Uit de bestuurlijke rapportage van 21 maart 2025 blijkt dat de leden van de groep die op 25 januari 2025 werden aangehouden in [bedrijf] zich nog steeds identificeren als lid van [motorclub 1] . Op telefoons zijn foto’s aangetroffen waarop de betrokkenen kleding aan hebben die te relateren is aan [motorclub 1] . Ze hebben als groep contacten met [motorclub 2] en bestellen kledingpakketten. Ze hebben het via WhatsApp ook over clubavonden. Uit de WhatsApp berichten is af te leiden dat de groep regelmatig en dan steeds om 20.30 uur op vrijdagavond bij elkaar komt in [bedrijf] . Gelet op de wijze van communicatie mocht de burgemeester concluderen dat het hier niet gaat om een vriendengroep die afspreekt als het uitkomt, maar om een structureel ingeplande clubavond. De structurele aanwezigheid voor de deur van portiers of beveiligers die herkenbaar zijn als lid van [motorclub 1] op de avonden waarop betrokkenen in [bedrijf] bijeenkomen duidt ook op clubavonden en niet op een ontmoeting tussen vrienden. Dit maakt de verstoring ook naar buiten toe zichtbaar. 6.3. De verklaringen van eiser in de bestuurlijke rapportage van 21 maart 2025 bevestigen dat de groep al zeker zeven tot acht jaar regelmatig in [bedrijf] samenkomt en dat betrokkenen door eiser weliswaar als klanten worden gezien, maar bij hem ook bekend zijn als (oud-)leden van [motorclub 1] . Enerzijds ontkent eiser op de hoogte te zijn van de beveiligers van [motorclub 1] voor de deur, anderzijds verklaarde hij zowel in zijn verklaring in de bestuurlijke rapportage van 21 maart 2025 als tijdens de zitting dat hij dit ziet als een traditie van hen en dat hij zich daar niet mee bemoeit. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat hij wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van de beveiligers. De burgemeester mocht op basis van deze gegevens concluderen dat [motorclub 1] al jarenlang op structurele basis clubavonden organiseert in [bedrijf] . 6.4. De burgemeester mocht uit deze gegevens afleiden dat er in [bedrijf] structureel en voor langere tijd clubavonden van een verboden organisatie werden gehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat een verboden gedraging is en dat de burgemeester zich daarom op het standpunt mocht stellen dat dit een ernstige verstoring van de openbare orde is. Het feit dat dit, anders dan in de rechtspraak die de burgemeester aanhaalt, gebeurt in een pand dat niet exclusief door de verboden organisatie wordt gebruikt, leidt niet tot een andere conclusie. Door de clubavonden toe te staan, zelfs als deze in een voor het publiek toegankelijke ruimte worden gehouden en geen directe overlast in de omgeving geven, wordt het functioneren van een verboden organisatie gefaciliteerd, wat gezien de door de burgemeester aangehaalde uitspraken een ernstige inbreuk op de openbare orde oplevert. Is een sluiting van zes maanden voldoende gemotiveerd en passend bij deze verstoring van de openbare orde? 7. Eiser stelt dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom [bedrijf] zes maanden dicht moet. Er ligt geen beleid aan ten grondslag. 7.1. De burgemeester stelt dat de ernst en duur van de verstoring van de openbare orde een sluiting van zes maanden rechtvaardigt. Normaliter wordt een pand voor onbepaalde tijd gesloten als het gebruikt wordt door een verboden organisatie. Omdat het hier om een café gaat dat ook door anderen wordt gebruikt, is de sluiting beperkt tot zes maanden. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid een sluiting van zes maanden passend kon vinden. Doel van de maatregel is om de ernstige verstoring van de openbare orde te beëindigen door het houden van de clubavonden van [motorclub 1] in [bedrijf] te beëindigen. Deze bijeenkomsten vinden om de drie weken plaats. Gelet hierop is een sluiting van zes maanden in beginsel passend. Bij een veel kortere sluiting is de kans aanmerkelijk dat voor enkele bijeenkomsten een alternatief wordt gezocht en de clubavonden in [bedrijf] na afloop van de sluiting gewoon doorgaan. Is de (resterende effectuering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.