Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:439
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11249677 \ CV EXPL 24-2839 Vonnis van 22 januari 2025 in de zaak van STICHTING [kinderopvang], te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [kinderopvang] , gemachtigde: GGN Brabant, tegen [de man] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de man] , procederend in persoon.
1De zaak in het kort [kinderopvang] verzorgde de kinderopvang van de kinderen van [de man] . In deze procedure vordert [kinderopvang] betaling van [de man] voor deze opvang. [de man] is echter van mening dat hij niet hoeft te betalen. De overeenkomst is volgens hem destijds alleen getekend door zijn - inmiddels ex - echtgenote en aangezien ze op huwelijkse voorwaarden waren getrouwd, is hij niet aansprakelijk voor deze schuld van haar. Bovendien heeft hij na zijn vertrek uit hun woning geen aanmaningen ontvangen. De kantonrechter oordeelt dat [de man] wel aansprakelijk is voor de kinderopvangkosten en legt dit oordeel hieronder uit.
2De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
3De feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
Thx voor de update!
Met vriendelijke groet, [de man] Met gastvrije groet, [de man] [bedrijf] [telefoonnummer] ”
Met gast vrije groet, [de man] ”
Komt dus nu wel ergens deze dagen binnen. […] Met gastvrije groet, [de man] [bedrijf] ”
Komt goed hoor wel wanneer binnen is.
Met gastvrije groet, [de man] ”
4Het geschil 4.1. [kinderopvang] vordert - samengevat - veroordeling van [de man] tot betaling van € 1.202,14, vermeerderd met rente en kosten.
4.2. [kinderopvang] voert daarvoor aan dat zij de opvang van de kinderen van [de man] heeft verzorgd. Daarom moet [de man] de daarvoor overeengekomen en gefactureerde bedragen betalen. Deze betalingsverplichting is hij niet nagekomen. Daarom moet hij de wettelijke rente betalen over het openstaande bedrag. Bovendien heeft [kinderopvang] buitengerechtelijke incassokosten moeten maken om de facturen betaald te krijgen. Ook die kosten moet [de man] vergoeden.
4.3. [de man] voert verweer. [de man] wil dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van [kinderopvang] in de kosten van deze procedure.
4.4. [de man] erkent dat de hoofdsom nog openstaat. Hij is echter van mening dat niet hij, maar zijn ex-partner, mevrouw [de vrouw] (verder: [de vrouw] ) dit bedrag moet betalen. [kinderopvang] heeft volgens [de man] ten onrechte zijn ex-partner vóór het moment van dagvaarden nooit gesommeerd om het openstaande bedrag te betalen. Daarnaast voert [de man] aan dat hij op 22 september 2023 de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] heeft verlaten en ondanks het regelen van doorstuurservice voor zijn post, geen sommaties of aanmaningen heeft ontvangen. Ook betwist hij dat de e-mailberichten die naar [kinderopvang] zijn gestuurd in verband met de achterstand door hem zijn gestuurd. Tot slot is [de man] bereid om 50% van de hoofdsom te betalen, maar alle overige bedragen en kosten niet.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling [de man] is hoofdelijk aansprakelijk voor de kosten van de kinderopvang 5.1. [kinderopvang] vordert nakoming van de betalingsverplichting voor de verzorgde kinderopvang op grond van een plaatsingsovereenkomst tussen haar en [de man] . In ieder geval is [de man] volgens [kinderopvang] voor de opvangkosten aansprakelijk op grond van artikel 1:85 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de overeenkomst is aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. [de man] betwist dat hij contractant van de plaatsingsovereenkomst is, aangezien niet hij, maar [de vrouw] de plaatsingsovereenkomst heeft ondertekend. Daarnaast betwist [de man] dat de kosten in de huwelijksgemeenschap vallen, omdat hij met [de vrouw] op huwelijksvoorwaarden was getrouwd en er dus geen gemeenschap was.
5.2.
Artikel 1:85 BW bepaalt, samengevat, dat beide echtgenoten naast elkaar voor het geheel aansprakelijk zijn voor de verbintenissen die zij ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zijn aangegaan.
Los van de vraag of de handtekening op de plaatsingsbevestiging van [de man] is of van [de vrouw] of dat (mede) namens [de man] is getekend, staat vast dat de plaatsingsovereenkomst gesloten is voor de opvang van de kinderen van [de man] en [de vrouw] . De kosten voor kinderopvang vallen onder de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen, welke kosten op hun beurt vallen onder de kosten van de gewone huishouding .
5.3. [de man] en [de vrouw] zijn op grond van artikel 1:85 BW dus beiden, hoofdelijk, aansprakelijk voor de kosten van de kinderopvang. [kinderopvang] kan daarom kiezen van wie zij betaling vordert: van beiden of één van hen. Zij mocht er dus voor kiezen om alleen betaling van [de man] te vorderen en was niet verplicht om ook [de vrouw] aan te manen.
5.4.
Van artikel 1:85 BW kan niet worden afgeweken bij huwelijkse voorwaarden, omdat dit artikel van dwingend recht is. Of sprake was van huwelijksvoorwaarden tussen [de man] en [de vrouw] , is daarom niet relevant.
5.5. [de man] moet daarom het openstaande bedrag aan kinderopvangkosten betalen. Dat neemt niet weg dat [de man] mogelijk (een deel van) de kinderopvangkosten kan verhalen op [de vrouw] . Dat valt echter buiten de beoordeling van deze zaak. [kinderopvang] heeft niet aan al haar informatieverplichtingen voldaan 5.6. [kinderopvang] heeft terecht opgemerkt dat moet worden getoetst of [kinderopvang] aan haar informatieverplichtingen heeft gedaan, omdat sprake is van een overeenkomst op afstand tussen een ondernemer ( [kinderopvang] ) en een consument ( [de man] ). De eisen daarvoor zijn opgenomen in artikel 6:230m BW in verbinding met artikel 6:230v BW.
5.7.
De kantonrechter constateert dat [kinderopvang] , uitgaande van de door haar aangeleverde informatie, aan drie eisen niet heeft voldaan. Ten eerst heeft zij niet (tijdig) de adresgegevens waar een klacht kan worden ingediend beschikbaar gesteld. Ten tweede heeft zij [de man] niet voldoende geïnformeerd over de 14-dagentermijn van ontbinding en ten derde heeft zij het modelformulier voor ontbinding niet verstrekt. Op grond van de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten moet in dat geval de hoofdsom met 25% worden verminderd.
5.8.
De conclusie is dat [de man] hoofdelijk aansprakelijk is voor de kosten van de kinderopvang, zodat hij deze moet betalen, waarbij rekening moet worden gehouden met een aftrek van 25%. De kantonrechter zal daarom het gevorderde bedrag van € 1.202,14 toewijzen. [de man] hoeft de buitengerechtelijke kosten niet te betalen 5.9. [kinderopvang] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van haar algemene voorwaarden. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat het incassobeding in de AV onredelijk bezwarend is.
5.10.
De kantonrechter moet in consumentenzaken ambtshalve toetsen of een beding in de algemene voorwaarden onredelijke bezwarend is. Dit geldt ook als de ondernemer er uiteindelijk voor kiest om de vordering niet op grond van het beding te vorderen, maar alleen op grond van een wettelijke bepaling.
5.11.
Een beding is in ieder geval onredelijk bezwarend, als het in strijd is met de wet. Dat is het geval met het incassobeding uit artikel 15.5 van de AV van [kinderopvang] . Daarin is namelijk een kortere betalingstermijn opgenomen dan de termijn die de wet in artikel 6:96 lid 6 BW dwingend voorschrijft. De kantonrechter vernietigt daarom dit beding. Omdat [kinderopvang] ook niet kan terugvallen op de wettelijke regeling, is er geen grond waarop vergoeding van buitengerechtelijke kosten kan worden toegewezen. [de man] moet wel de wettelijke rente betalen 5.12.
Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Het verzuim van [de man] is ontstaan op het moment dat hij niet binnen de aangegeven termijn de facturen had betaald. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente toewijzen zoals gevorderd. [de man] moet ook de proceskosten betalen 5.13. [de man] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [kinderopvang] worden begroot op:
De kantonrechter begrijpt dat [de man] van mening is dat de kosten onnodig zijn opgelopen, omdat [kinderopvang] niet direct (ook) [de vrouw] heeft aangemaand om te betalen. Ook heeft [de man] aangevoerd dat hij vanaf 22 september 2023 niet meer op het adres aan de [adres 1] in [plaats 1] woonde en ondanks het door laten sturen van post geen aanmaningen en sommaties heeft ontvangen.
5.15.
Hierboven heeft de kantonrechter uitgelegd dat [kinderopvang] ervoor mocht kiezen om alleen [de man] aan te spreken. Of de sommaties of aanmaningen zijn (door-)gestuurd naar het adres waar [de man] verbleef na zijn vertrek uit de woning in [plaats 1] is voor het oplopen van de kosten niet relevant. [de man] heeft namelijk niet betwist dat hij de aanmaningen en sommaties op dat adres vóór zijn vertrek op 22 september 2023 wel heeft ontvangen. Evenmin heeft hij betwist dat hij de aanmaningen en sommaties per e-mail heeft ontvangen. Weliswaar betwist [de man] dat de reacties op die e-mailberichten van hem zijn, maar daaruit volgt niet dat hij de berichten van [kinderopvang] niet heeft ontvangen. Dat geldt te meer, omdat [de man] zelf heeft verklaard dat ook hij toegang had tot het volgens hem gezamenlijke e-mailadres vanwaar de berichten zijn gestuurd. Daaruit volgt dat hij ook toegang had tot de berichten die [kinderopvang] stuurde. Dat betekent dat [de man] wist of in ieder geval moest weten dat er nog een betalingsachterstand was. [de man] heeft niet, althans onvoldoende gesteld op grond waarvan hij ervan mocht uitgaan dat de achterstand was betaald. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
6De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [de man] om aan [kinderopvang] te betalen een bedrag van € 1.202,14 aan hoofdsom en een bedrag aan wettelijke rente van € 120,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 1.202,14 met ingang van 24 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [de man] in de proceskosten van € 1.019,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de man] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag, 06-09-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2795 Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van de Europese Unie De vergoeding […] kan […] de schuldenaar [..] eerst verschuldigd worden nadat […] [hij] vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.