Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:4697
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/2257, BRE 25/2328 en BRE 25/2258 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2025 op het beroep en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen 1. [eigenaar 1] en [eigenaar 2], uit [plaats 1] , (gemachtigde: mr. J.J. Jaspers), 2. [verzoekster], uit [plaats 1] , (gemachtigde: mr. L.A. Fischer) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen , verweerder. [verzoekster] neemt ook als derde-partij deel in het beroep van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] .
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde last onder dwangsom in verband met de opvang van Oekraïense ontheemden op het perceel [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] . Het college heeft dat besluit genomen. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 25/2258. Zij hebben de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer BRE 25/2257).
1.1. [verzoekster] heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (BRE 25/2328).
1.2.
Verzoekers voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de opgelegde last onder dwangsom.
1.3.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de opgelegde last onder dwangsom niet kan standhouden. Zij voorziet zelf in de zaak door de last onder dwangsom te herroepen. Daardoor bestaat de last onder dwangsom niet meer en het bewonen van het bijgebouw hoeft nu daarom niet beëindigd te worden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Feiten en procesverloop 2. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] zijn eigenaars van [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] . Ze wonen op [adres 2] . [verzoekster] bewoont met haar gezin het vrijstaande bijgebouw achter in de tuin van de percelen.
Op 4 november 2022 heeft de gemeente Dongen een overeenkomst gesloten met [eigenaar 1] en [eigenaar 2] voor de opvang van Oekraïense ontheemden op [adres 1] . Deze overeenkomst is door de gemeente Dongen met ingang van 1 juli 2024 beëindigd, omdat er inmiddels twee locaties binnen de gemeente geschikt gemaakt zijn voor de gemeentelijke opvang van Oekraïners. De Oekraïense ontheemden die aan [adres 1] worden opgevangen, kunnen verhuizen naar de gemeentelijke [opvanglocatie] .
Op 20 november 2024 heeft de gemeentelijk toezichthouder opnieuw een controle uitgevoerd. Vastgesteld is dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] nog steeds Oekraïense ontheemden huisvesten in de voormalige gymzaal en het bijgebouw. De toezichthouder heeft verder vastgesteld dat deze personen niet in een gezond woon- en leefklimaat verblijven en dat niet wordt voldaan aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het college heeft [eigenaar 1] en [eigenaar 2] bij brief van 4 december 2024 erop gewezen dat het gebruik van de gebouwen op het perceel [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2] in strijd is met: de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van het bijgebouw als berging; de inmiddels beëindigde overeenkomst voor de opvang van Oekraïense ontheemden op [adres 1] ; de verleende omgevingsvergunning voor de crisisopvang van jongeren; het Omgevingsplan gemeente Dongen , onderdeel Buitengebied [plaats 1] ; het Bbl.
Het college heeft [eigenaar 1] en [eigenaar 2] tot en met 26 januari 2025 de tijd gegeven om de overtredingen ongedaan te maken. Het college heeft daarbij vermeld dat het op 27 januari 2025 zal controleren of zij hieraan hebben voldaan en of de bewoners elders zijn gaan wonen en dat het voornemens is om [eigenaar 1] en [eigenaar 2] een last onder dwangsom op te leggen als blijkt dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] de overtredingen niet hebben beëindigd. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hebben naar aanleiding daarvan hun zienswijze naar voren gebracht.
Het college heeft daarop [eigenaar 1] en [eigenaar 2] met het besluit van 28 januari 2025 gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 5.5, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] moeten ook de overtreding van artikel 22.23 van het Omgevingsplan en artikel 36 van het Omgevingsplan, onderdeel bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats 1] ’ beëindigen en beëindigd houden. Het college heeft [eigenaar 1] en [eigenaar 2] daarvoor tot en met 10 februari 2025 de tijd gegeven. Het college heeft daarbij aangegeven dat het tot uiterlijk deze datum kamers zal vrijhouden voor de bewoners op de [opvanglocatie] aan [adres 3] . Tevens heeft het college aangegeven dat er na 10 februari 2025 opnieuw een controle zal plaatsvinden. Als op dat moment blijkt dat de overtredingen niet zijn beëindigd, dan verbeuren [eigenaar 1] en [eigenaar 2] dwangsommen voor iedere week dat de overtreding geheel of gedeeltelijk voortduurt. De dwangsommen zijn door het college vastgesteld op € 2.000,00 per week met een maximum van € 10.000,00.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Is er een voldoende spoedeisend belang?
De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een voldoende spoedeisend belang.
Wordt voldaan aan de connexiteitseis?
Ook [verzoekster] voldoet aan de connexiteitseis zodat ook haar verzoek ontvankelijk is. Het beroep dat [verzoekster] zelf heeft ingediend tegen het bestreden besluit wordt in een uitspraak van vandaag in de zaak BRE 25/2329 niet-ontvankelijk verklaard. [verzoekster] heeft in haar verzoek om voorlopige voorziening echter expliciet aangegeven dat haar verzoek om voorlopige voorziening connex is aan “het beroep tegen de beslissing van 15 april 2025”. Zij verwijst daarbij expliciet naar een bijlage, en heeft als bijlage het beroepschrift van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] gevoegd. Omdat [verzoekster] met toepassing van artikel 8:26 van de Awb (derde-)partij is in het beroep van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] , is haar verzoek gezien artikel 8:81, tweede lid, van de Awb connex aan hun ontvankelijke beroep.
De beroeps- en verzoeksgronden 15. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] stellen – samengevat – dat met de omgevingsvergunning van 14 juli 2022 het mogelijk is gemaakt dat het perceel [adres 1] - [adres 2] wordt gebruikt voor de opvang van jongeren, maar ook voor bewoning door de ontheemde Oekraïners. Er is bepaald dat er een vergunning is verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hebben deze vergunning altijd zodanig geïnterpreteerd dat ook het tuinhuis in de bestemming ‘Tuin’ onder deze vergunning viel. Als bewoning van het tuinhuis niet is vergund, had het college af moeten zien van handhaving vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is geen rekening gehouden met de kwaliteit van de opvangvoorziening voor de ontheemden en de belangen van het gezin dat in het tuinhuis woont. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] vinden dat de last met de term ‘gebruik’ onduidelijk en te algemeen van aard is. Tot slot voeren zij aan dat de hoogte van de dwangsom onredelijk is. [verzoekster] heeft met name aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de belangen van haar gezin met jonge kinderen.
Artikel 8:83, eerste lid, van de Awb schrijft voor dat nadere stukken tot een dag voor de zitting kunnen worden ingediend. Het stuk is minder dan 24 uur voor de zitting ingediend. Het college heeft ter zitting opgemerkt dat het moeite heeft met de late indiening van dit stuk. De voorzieningenrechter acht de late indiening niet in strijd met een goede procesorde. Het betreft een niet omvangrijk stuk. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hebben ter zitting opgemerkt dat de informatie pas op 17 juni 2025 bij hen bekend was en dat zij deze informatie relevant vinden voor de beoordeling door de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter is het daarmee eens. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van het stuk en heeft dit aan het dossier toegevoegd. Het college heeft ook op zitting op de informatie kunnen reageren. Het college heeft toegelicht dat de informatie onjuist en misleidend is. Volgens het college blijft de locatie nog tot ten minste 2029 in gebruik als gemeentelijke opvanglocatie.
Welke regels zijn van belang?
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Andere voor de beoordeling van beroep belangrijke regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen alsmede, ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden.
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd; de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; e bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
Is de omgevingsplanactiviteit vergund?
De vergunde zorgactiviteiten zijn in de omgevingsvergunning ook specifiek omschreven. Vergund is: (crisis)opvang van jongeren in de leeftijdscategorie tussen 16 en 24 jaar. Vermeld is daarbij dat kan worden gedacht aan jongeren in psychische nood, met gezins- of huisvestingsproblemen, uithuisplaatsingen en/of crisisopvang en dat de opvang tijdelijk is (3-6 maanden per persoon) met als doel de jongere te begeleiden naar een structurelere oplossing tot zelfstandigheid. Daar valt de opvang voor de Oekraïense ontheemden niet onder.
Dat het tuinhuis is ingetekend op de bij de omgevingsvergunning gevoegde tekeningen als een gebouw op de percelen [adres 1] en [adres 2] , maakt niet dat het planologisch strijdige gebruik van het tuinhuis ook is vergund, aangezien dat niet expliciet uit de omgevingsvergunning blijkt. Dat volgt ook uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).
Is de last onder dwangsom voldoende duidelijk?
De voorzieningenrechter volgt hen daarin niet. Uit de last onder dwangsom en uit het bestreden besluit blijkt voldoende duidelijk welk gebruik van het vrijstaande bijgebouw het college niet toestaat, namelijk (langdurige) bewoning. Ook duidelijk is omschreven welke termijn [eigenaar 1] en [eigenaar 2] wordt gegund om de overtreding te beëindigen en hoe ze dat kunnen doen. Tijdens de zitting is ook door het college bevestigd dat de last is gericht op beëindiging van de bewoning van het bijgebouw zoals die nu plaatsvindt door de Oekraïense ontheemden.
Was het college bevoegd om handhavend op te treden?
Zijn er bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden heeft moeten afzien?
Bij de vraag of van handhavend optreden moest worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De AbRS heeft op 29 mei 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. In de uitspraak zet de AbRS uiteen welke drie stappen moeten worden doorlopen als een beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel. Bij de eerste stap moet de vraag worden beantwoord of de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap gaat het om de vraag of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. In het kader van de derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de bevoegdheid.
Het college heeft in het verweerschrift goed op het beroep op het vertrouwensbeginsel gereageerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat het college duidelijk heeft gecommuniceerd over de duur en de omvang van de toegestane opvang en heeft ook duidelijk gecommuniceerd over het starten van centrale gemeentelijke opvang en de beëindiging van de opvang van de Oekraïense ontheemden aan de [adres 1] en [adres 2] . Het college heeft terecht opgemerkt dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat er toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan of dat er gedragingen zijn verricht, waaruit zij redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat de bewoning van het vrijstaande bijgebouw in de tuin door de Oekraïense ontheemden was toegestaan. Met het maken van een aansluiting op de gemeentelijke riolering is ook geen toestemming voor bewoning gegeven.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
In een uitspraak van 2 februari 2022, heeft de AbRS het beoordelingskader geformuleerd voor de bestuursrechter ten aanzien van de toetsing van een besluit aan dat evenredigheidsbeginsel. Bij de toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en de motivering van het resultaat daarvan, dient de bestuursrechter volgens de AbRS niet te beoordelen of het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid wel of niet tot het besluit heeft kunnen komen (willekeurcriterium), maar moet de bestuursrechter aansluiten bij de bewoordingen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en het besluit rechtstreeks aan deze bepaling toetsen. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is volgens de AbRS afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt daarom van geval tot geval.
De voorzieningenrechter volgt [eigenaar 1] en [eigenaar 2] in hun standpunt dat aan het bestreden besluit een onvoldoende zorgvuldige en onvolledige belangenafweging is voorafgegaan. Dat is niet ook niet (afdoende) hersteld in het verweerschrift. De voorzieningenrechter volgt de opvatting van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit vooral het belang van centrale opvang voor ogen heeft gehad. Dat er personen zijn gehuisvest in een bijgebouw waar geen bewoning is toegestaan, is in dit specifieke geval geen goed argument om de huisvesting te beëindigen. Immers, het is [eigenaar 1] en [eigenaar 2] wel toegestaan om het bijgebouw te gebruiken voor (crisis)opvang van jongeren.
In dat verband acht de voorzieningenrechter ook van belang dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hebben gesteld – en dat heeft het college niet betwist – dat zij op aangeven van een gemeentelijk toezichthouders hebben geïnvesteerd in bouwkundige voorzieningen, waaronder een bredere trap, om het bijgebouw (beter) geschikt te maken voor bewoning. Ook kon het college tijdens de zitting niet aangeven welk eventueel veiligheidsgevaar er (nog) is bij bewoning van het bijgebouw. Dat, zoals het college aangaf, veiligheidsgevaren niet kunnen worden uitgesloten, acht de voorzieningenrechter onvoldoende. De voorzieningenrechter volgt ook het standpunt van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] dat het in het belang van de kinderen is dat zij, zolang de oorlog in Oekraïne voortduurt, opgroeien in een permanente, kleinschalige opvang.
Dat volgt ook uit het aangehaalde document ‘Naslagwerk gemeentelijke opvang Oekraïners”. Het college heeft aan dat belang onvoldoende gewicht toegekend. Het college heeft in reactie daarop weliswaar gesteld dat het gezin in [opvanglocatie] zal worden gehuisvest in een zogenaamde familiekamer, maar daarmee miskent het college dat het meer in het belang is van de kinderen om in het vrijstaande bijgebouw gehuisvest te kunnen blijven.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.
Conclusie en gevolgen 30. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal, ook aangezien geen sprake is van een handhavingsverzoek om op te treden tegen planologische strijdigheid, zelf in de zaak voorzien in die zin, dat het primaire besluit van 28 januari 2025 wordt herroepen. Daardoor bestaat de last onder dwangsom niet meer en het bewonen van het bijgebouw hoeft nu daarom niet beëindigd te worden.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 18 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2:
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:1:
In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5:2:
In deze wet wordt verstaan onder: bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak; herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; bestraffende sanctie: een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.
Geen bestuurlijke sanctie is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen.
Artikel 5:31d:
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32, voor zover van belang:
Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet. […].
Artikel 5:32b:
Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Artikel 8:81, voor zover van belang:
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Indien bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak. […].
Artikel 8:86, voor zover van belang:
Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. […].
Omgevingswet Artikel 5.5, voor zover van belang:
1° het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, 2° het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, 3° het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk, 4° het beschermen van monumenten of archeologische monumenten, een rijksmonumentenactiviteit, een stortingsactiviteit op zee, een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op:
1° een oppervlaktewaterlichaam, 2° een zuiveringtechnisch werk, een beperkingengebiedactiviteit, een flora- en fauna-activiteit.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. artikel 19.1 van het bestemmingsplan artikel 19.2 van het bestemmingsplan zie bijvoorbeeld uitspraken 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2020:297 (r.o. 3.1), en 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1257 zie bijvoorbeeld uitspraken AbRS van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2795, en 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:169 AbRS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 AbRS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 rechtbank Overijssel 12 maart 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:1379.
ECLI:NL:RVS:2019:1694 ECLI:NL:RVS:2022:285