RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-167129-24; 08-327775-24 (gev. ttz) vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] wonende te [woonplaats] raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 8 juli 2025, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaken onder voormelde parketnummers zijn ter zitting overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gevoegd. 2De tenlastelegging De tenlastelegging onder parketnummer 02-167129-24 is ter zitting gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 02-167129-24: samen met een ander heeft geprobeerd [aangever 1] af te persen van een geldbedrag; 08-327775-24: wederrechtelijk de woning van [aangever 2] is binnengedrongen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-167129-14 Vaststaande feiten en omstandigheden Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 20 mei 2024 heeft [medeverdachte] [aangever 1] met de auto opgehaald. Zij zijn die dag naar verschillende steden gereden om ‘te halen en trekken’. De rechtbank begrijpt dat daarmee het plegen van bankhelpdeskfraude wordt bedoeld. Vervolgens zijn zij ’s nachts, op 21 mei 2024, naar Breda gereden waar zij verdachte [verdachte] hebben opgehaald. Zij zijn vervolgens naar de Moerlakenbrug in Breda gereden, waar zij de auto uit zijn gestapt. Op enig moment is [aangever 1] meermalen geslagen door verdachte, zowel met de vlakke hand als met de vuist. [aangever 1] heeft daarna via WhatsApp contact gehad met zijn moeder, die eerder op de avond bij de politie de melding heeft gedaan dat [aangever 1] vermist was. Vervolgens zijn verdachte, [medeverdachte] en [aangever 1] naar de Asterdplas in Breda gereden, waarna verdachten op de Rietdijk, nabij de plas, zijn aangehouden. Over de overige gebeurtenissen bij de Moerlakenbrug lopen de verklaringen uiteen. Verdachte ontkent het ten laste gelegde feit. De verklaring van aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 19 mei 2024 is benaderd door verdachte om de volgende dag te gaan halen en trekken. Op 20 mei 2024 werd [aangever 3] in de middag opgehaald door [medeverdachte] . Nadat zij naar verschillende steden zijn gereden, zijn zij naar een pinautomaat in Eindhoven gereden, waar [aangever 3] van [medeverdachte] een pinpas kreeg. Vervolgens moest hij verdachte bellen en die zou hem vertellen wat hij met de pinpas moest doen. Verdachte zei hem dat hij € 1.000,- moest pinnen en gaf vervolgens een pincode. [aangever 3] heeft diverse keren proberen te pinnen, maar dat is niet gelukt. Daarop werd verdachte boos en zei tegen [aangever 3] dat hij terug naar de auto moest gaan. Vervolgens reden [aangever 3] en [medeverdachte] naar Breda om verdachte op te halen. [medeverdachte] had op dat moment telefonisch contact met verdachte, die hem zijn exacte locatie doorgaf. Nadat verdachte bij hen in de auto stapte, reden zij op aanwijzing van verdachte naar de Moerlakenbrug waar zij alle drie de auto zijn uitgestapt. Verdachte richtte vervolgens een vuurwapen op [aangever 3] en zei daarbij “Ga op je knieën”. Daarna kreeg [aangever 3] van verdachte meerdere klappen met de vlakke hand en meerdere vuistslagen in zijn gezicht, waardoor hij op de grond viel. Op de grond kreeg hij vervolgens meerdere trappen tegen zijn lichaam. [medeverdachte] keek tijdens deze geweldpleging toe. [aangever 3] moest vervolgens van verdachte zijn moeder bellen en tegen haar zeggen dat verdachte € 5.000,- wilde. Na het telefoongesprek moest [aangever 3] naar het kanaal lopen waar hij wederom een vuurwapen op zich kreeg gericht. Daarbij zei verdachte dat als de moeder van [aangever 3] de politie zou bellen, hij zou schieten en dat het geldbedrag papier geld moest zijn en geen tikkie. Daarna moest [aangever 3] met verdachte en [medeverdachte] terug de auto in. [aangever 3] heeft verklaard dat hij niet opnieuw de auto in wilde stappen, maar zo bang was voor zijn leven dat hij toch is ingestapt. In de auto werd hem door verdachte nog verteld dat als de politie kwam, er veel problemen zouden komen en [aangever 3] zelf wel wist wat er zou gebeuren. De verdachten zijn vervolgens, met [aangever 3] in de auto, naar de Asterdplas gereden, waar hij wederom moest uitstappen en opnieuw een vuurwapen aan hem werd getoond. Kort daarop zijn verdachten aangehouden door de politie. De waardering van het bewijs De rechtbank dient te beoordelen of de verklaring van [aangever 3] wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet voor ieder onderdeel van de tenlastelegging twee bewijsmiddelen nodig zijn. De aangifte van [aangever 3] wordt allereerst ondersteund door de verklaring van zijn moeder, getuige [persoon 1] . Zij heeft verklaard dat [aangever 3] haar belde, om hulp vroeg en zei dat ze hem probeerden te vermoorden en dat ze geld moest brengen. Zij hoorde twee andere mannen ‘€ 6.000,-‘ zeggen. Na het telefoongesprek stuurde [aangever 3] zijn moeder nog een aantal WhatsApp-berichten, met daarin onder meer ‘hij heeft een pistool’, ‘6000 hij wil’, ‘op papier wil hij het’ en ‘hij heeft me geslagen’. Verder wordt de aangifte ondersteund door verschillende chatberichten die zijn aangetroffen op zowel de telefoon van [aangever 3] als op de telefoons van beide verdachten. Zo heeft [aangever 3] op 19 mei 2024 berichten ontvangen van de afzender [persoon 2] met ‘halen en trekken’ en ‘morgen gaat het gebeuren neef’. Aan het telefoonnummer van deze [persoon 2] is op WhatsApp een profielfoto van verdachte gekoppeld. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze berichten door verdachte zijn verzonden. Op 20 mei 2024 heeft hij [aangever 3] berichten gestuurd die zien op halen en trekken en in de nacht van 21 mei 2024 heeft hij naar [aangever 3] gestuurd ‘neef jij gaat naar osso papa pakke en geven maat heel me dag heb je verneukt’. Op de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen is een chatgesprek tussen [aangever 3] en de gebruiker van de telefoon, ‘ [accountnaam 1] ’, aangetroffen. Deze ‘ [accountnaam 1] ’ komt ook terug in de telefoon van [medeverdachte] , onder de naam ‘ [accountnaam 2] ’. De rechtbank gaat er onder die omstandigheden van uit dat ‘ [accountnaam 2] ’ het account van verdachte is. Verdachte heeft ook niet uitgelegd dat dat anders is. Op 21 mei 2024 heeft verdachte met dit account contact gehad met [accountnaam 3] , waarvan is gebleken dat dat het account van [medeverdachte] is. Zo heeft verdachte naar [medeverdachte] gestuurd ‘Die jongen gaat zo osso’, ‘Doekoe pakke’, ‘En aan ons geven’. [medeverdachte] heeft daarop gereageerd dat die jongen geen pap heeft, waarop verdachte stuurt ‘Vraag ze vader maar om geld’ en ‘Zeg tege die spitta bel jou vader, bel je moeder, zeg tegen die spitta 1000 euro’. Om 01:31 uur geeft verdachte aan dat [medeverdachte] hem moet ophalen bij de Haagse Beemden. Daarna vindt er, rond het tijdstip van de geweldpleging tegen [aangever 3] , een gesprek plaats tussen [medeverdachte] en ene [persoon 3] . Op de vraag of hij heeft geslagen antwoordt [medeverdachte] ‘Nee maar krijg zo pap’, ‘Mannen worden hier gemarteld’, ‘Hij kreeg naku in zn mondje’ en ‘Hij wordt nu water ingeduwd’. Op de telefoon van verdachte is verder nog een foto aangetroffen van [aangever 3] met een bebloed gezicht, gemaakt op 21 mei 2024 om 02:55 uur. Ten aanzien van het vuurwapen waarover [aangever 3] heeft verklaard, merkt de rechtbank op dat er door de politie geen vuurwapen is aangetroffen in de auto van [medeverdachte] of op de locaties waar verdachten met [aangever 3] de auto zijn uitgestapt. Wel is op de telefoon van verdachte een chatgesprek tussen hem en ene [accountnaam 4] aangetroffen die naar het oordeel van de rechtbank de aangifte van [aangever 3] voldoende ondersteunt en waarmee voldoende aannemelijk is geworden dat er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan hem is getoond. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit het chatgesprek volgt dat verdachte al op 29 april 2024 contact met [accountnaam 4] zoekt over een ‘naku’ en een ‘bibi’ (de rechtbank begrijpt: een wapen en een balletjespistool). Enkele dagen later krijgt verdachte van [accountnaam 4] foto’s van (vuur)wapens toegestuurd. Op 21 mei 2024 om 00:15 uur, dus vlak voordat verdachte door [medeverdachte] is opgehaald, start verdachte wederom een chatgesprek met [accountnaam 4] . Daarin vraagt hij ‘Kan ik ff langs jou. Voor je weet wel wat’ en ‘Moet alleen iemand bang make toch, zometeen’. Ongeveer een kwartier later laat [accountnaam 4] hem weten dat hij bij verdachte is gearriveerd en een paar minuten later stuurt [accountnaam 4] hem nog ‘Gewoon die man raggen met die p’, waarop verdachte zegt ‘Gaat zeker goed komen’. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [aangever 3] voldoende steun vindt in ander bewijs en zij gaat dan ook van die verklaring uit. De verklaring van verdachte acht de rechtbank niet geloofwaardig. Afpersing Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er zowel in de auto als daarbuiten een dreigende en intimiderende sfeer hing. Aan [aangever 3] werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en hij moest geld voor verdachten regelen. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank een bedreigende situatie gecreëerd. Daarna is [aangever 3] opnieuw bij verdachten in de auto gestapt, omdat hij vreesde voor zijn leven. [aangever 3] heeft verdachten uiteindelijk geen geld gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is geprobeerd [aangever 3] af te persen van een geldbedrag. Medeplegen De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake is van medeplegen. Daarbij stelt zij voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] en overweegt daartoe als volgt. Verdachte en [medeverdachte] hebben overdag al contact met elkaar gehad. Nadat verdachte naar [medeverdachte] stuurde dat ‘die jongen’ ( [aangever 3] ) ‘doekoe moest pakken’, dat aan hen moest geven en dat hij zijn ouders maar moest bellen voor geld, heeft [medeverdachte] verdachte opgehaald. Zij zijn samen, met [aangever 3] bij hen in de auto, naar de Moerlakenbrug gereden, waar zij alle drie uit de auto zijn gestapt. Verdachte heeft daar geweld richting [aangever 3] gebruikt en gedreigd met geweld, terwijl [medeverdachte] toekeek en zich niet heeft gedistantieerd. Tijdens deze geweldspleging deed [medeverdachte] verslag richting een ander waarbij hij aangaf ‘krijg zo pap’ en ‘mannen worden hier gemarteld, hij kreeg naku in zn mondje, hij word nu water ingeduwd’. Vervolgens heeft [medeverdachte] opnieuw in zijn auto laten instappen, terwijl hij wist dat door verdachte geweld richting [aangever 3] is gebruikt en terwijl hij het bebloede gezicht van [aangever 3] heeft gezien. Uit het voorgaande volgt dat [medeverdachte] niet enkel de chauffeur in het geheel is geweest, maar ook dat verdachten met hetzelfde doel op de locatie waren. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [aangever 3] af te persen. 08-327775-24 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 13 augustus 2024 wederrechtelijk de woning van [aangeefster] is binnengedrongen. Verdachte ontkent het feit en heeft verklaard dat aangeefster hem vrijwillig de woning binnen liet. Aangeefster heeft verklaard dat er door een man bij haar woning werd aangebeld en dat toen zij de deur opendeed, zij opzij werd geduwd en dat de man haar woning binnen liep. Dit wordt ondersteund door de verklaring van haar buurman, [getuige 1] . Hij is vervolgens samen met [getuige 2] naar de woning van aangeefster gelopen, waar zij door het raam keken en de man in de woonkamer zagen zitten. Toen de man hen zag, is hij de woning uitgerend. Kort daarop is verdachte door de politie aangehouden en hebben getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bevestigd dat verdachte de man is die de woning van aangeefster is binnengedrongen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-167129-24 op 21 mei 2024 te Breda tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld de heer [aangever 3] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, dat geheel aan een derde toebehoorde - die [aangever 3] heeft meegenomen naar een afgelegen plek en - vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en heeft gericht op die [aangever 3] en daarbij die [aangever 3] de woorden: “Ga op je knieën” heeft toegevoegd en - vervolgens die [aangever 3] meermalen in het gezicht heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geschopt en - vervolgens die [aangever 3] de woorden: “Als je ma politie belt, ga ik je schieten” heeft toegevoegd en — tegen die [aangever 3] - zakelijk weergegeven — heeft gezegd dat hij tegen zijn moeder moest zeggen dat [accountnaam 1] 5.000 euro wil en dat het geld in papier moest zijn en dat als de politie kwam dat er veel problemen zouden komen en dat hij zelf wist wat er zou gebeuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 08-327775-24 op 13 augustus 2024 te [plaats] in de woning [adres] bij [aangever 2] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uren en een jeugddetentie van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert zij om aan verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd, met uitzondering van het meewerken aan hulpverlening en/of begeleiding. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast verzoekt de verdediging om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van het feit Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd [aangever 3] af te persen. Nadat verdachte van zijn medeverdachte had vernomen dat [aangever 3] een fout had gemaakt, heeft hij zich laten ophalen door zijn medeverdachte. Voordat hij werd opgehaald heeft verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp geregeld. Verdachten hebben [aangever 3] vervolgens midden in de nacht meegenomen naar een afgelegen plek, waar is gedreigd met geweld en ook daadwerkelijk geweld is gebruikt om een geldbedrag van hem te verkrijgen. [aangever 3] heeft door het handelen van verdachten angstige momenten doorgemaakt. Dat beschrijft hij ook in zijn schriftelijke slachtofferverklaring. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk door de woning van [aangeefster] binnen te dringen. Hij is met geweld de woning van een vrouw op leeftijd binnengedrongen. Dit betreft een heel vervelend en overlastgevend feit, waarmee verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij [aangeefster] heeft veroorzaakt. Ook hierbij heeft verdachte zich op geen enkele manier bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. De persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Verdachte is ter zitting verschenen, maar heeft daar geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de Raad van 24 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.