Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2025:480
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7810 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (vertegenwoordigd door: [naam] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 augustus 2023 om een omgevingsvergunning 1e fase voor uitbreiding van een vleeskuikenbedrijf op het perceel gelegen aan [het adres] in [plaats] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
Sinds die tijd is een ontwerpbesluit strekkende tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning gepubliceerd conform de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Dit ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 15 augustus 2024 tot en met 25 september 2024. Eiseres heeft op 22 september 2024 een zienswijze ingediend.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6.1.
Het college heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 26 juli 2024 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt.
Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 3:10, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 3:18 van de Awb en artikel 3.10, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 4.3, onderdeel a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.