← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:4918

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/411146 FA RK 23-3018 (echtscheiding) datum uitspraak: 21 februari 2025 nadere beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1], hierna te noemen de man, advocaat mr. A.W.M. Mans, (advocaat was mr. R. Croes-Bleijendaal), en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2], hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann.

  1. Het verdere procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van 24 december 2024 en alle daarin genoemde stukken; - de brief van mr. Mans van 11 januari
  3. 2De nadere beoordeling 2.
  4. Bij voornoemde beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast. Het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw is aangehouden, in afwachting van bericht van de advocaat van de man ter zake de partneralimentatie en het daarop toepasselijk recht. Partneralimentatie 2.
  5. Aan de rechtbank ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 2.755,= bruto per maand. In voornoemde beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat zij (internationale) rechtsmacht heeft om kennis te nemen van dit verzoek. 2.
  6. Zoals in voornoemde beschikking is vermeld, is op de mondelinge behandeling van 3 december 2024 stilgestaan bij de vraag welk recht van toepassing is op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling om zich over dit vraagstuk te beraden, hebben partijen aangegeven dat het alimentatieverzoek wordt beheerst door het Tsjechisch recht. Er heeft geen inhoudelijke bespreking van het verzoek plaatsgevonden; zoals ter zitting met partijen is besproken, zijn zij in de gelegenheid gesteld zich na de mondelinge behandeling schriftelijk nader uit te laten over het verzoek tot partneralimentatie volgens het Tsjechisch recht. 2.
  7. Namens de vrouw is bij brief van 20 december 2024 aangegeven dat zij, in tegenstelling tot wat op de mondelinge behandeling is besproken, van mening is dat het Nederlandse recht op haar verzoek van toepassing is. Ingevolge artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen wordt de onderhoudsverplichting beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn of haar gewone verblijfplaats heeft. Er is niet voorzien in de definitie “gewone verblijfplaats”. In het algemeen wordt hieronder verstaan de maatschappelijke woonplaats, dat is de plaats waar betrokkene het permanente centrum van zijn of haar belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven; het is de plaats waar het leven van de betrokkene zich afspeelt. De vrouw is echter niet van plan om in Tsjechië te blijven. Zij heeft de intentie terug te keren naar Nederland waar haar zoon uit ene eerdere relatie woont. Zij verblijft op dit moment in Tsjechië in een kantoorruimte, waar overdag wordt gewerkt. Zij had geen andere keuze dan daarheen te gaan. Ten slotte verwijst de vrouw naar artikel 5 van het Haagse Protocol, inhoudend dat artikel 3 van het protocol niet van toepassing is, indien één van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere staat, in het bijzonder dat van de staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dit geval is dat het Nederlandse recht. Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit, zijn in Nederland getrouwd en hebben in Nederland woning en werk. De vrouw verzet zich tegen toepassing van het Tsjechisch recht op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage. 2.
  8. Namens de man is bij brief van 11 januari 2025 gereageerd op het gewijzigde standpunt van de vrouw. Volgens hem heeft de vrouw in de procedure reeds een uitdrukkelijk en onherroepelijk standpunt ingenomen over het recht dat van toepassing is op haar verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, namelijk dat dat verzoek beheerst wordt door het Tsjechische recht. Doordat de vrouw dit standpunt heeft ingenomen, is het verdere verloop van de procedure is bepaald. Het verzoek over de partneralimentatie kon daardoor niet inhoudelijk besproken worden tijdens de mondelinge behandeling, en partijen moesten zich eerst (nader) uitlaten over het verzoek aan de hand van het Tsjechische recht. De vrouw komt nu terug op haar eerdere standpunt, waardoor er onnodige vertraging in de procedure is opgetreden. De man vat dit op als een manier om tijd te rekken, waarbij hem dit financieel nadeel oplevert. Dit acht de man in strijd met een goede procesorde en dus moet aan dit nieuwe standpunt van de vrouw voorbij worden gegaan. In het geval het verzoek alsnog naar Nederlands recht zal worden behandeld, dan dient de vrouw te worden veroordeeld in de proceskosten. Verder betwist de man dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland. Volgens hem heeft zij haar gewone verblijfplaats in Tsjechië. Zij verblijft daar sinds 19 januari 2023, heeft haar intrek genomen in een appartement en drijft vanuit daar ook een onderneming. Haar partner woont ook in Tsjechië. Gelet op het tijdsverloop van inmiddels twee jaar, acht de man het niet aannemelijk dat de vrouw voornemens is om in Nederland te gaan wonen. Dit blijkt ook niet uit de stellingen. De vrouw heeft geen werk in Nederland en haar bedrijf is in Tsjechië gevestigd. Volgens de man dient gelet op het voorgaande het verzoek tot partneralimentatie te worden beoordeeld volgens het Tsjechische recht. 2.
  9. De rechtbank overweegt als volgt. Geen van de partijen heeft zich in de schriftelijke fase van de procedure voorafgaand aan de mondelinge behandeling uitgelaten over het recht dat van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie. Eerst tijdens de mondelinge behandeling hebben zij zich over dit vraagstuk gebogen. Hoewel het niet de schoonheidsprijs verdient dat de vrouw zich blijkbaar pas na de mondelinge behandeling (nader) heeft verdiept in de relevante internationaal rechtelijke bepalingen en haar standpunt na de mondelinge behandeling heeft gewijzigd ten aanzien van de vraag waar zij haar gewone verblijfplaats heeft en welk recht op haar verzoek van toepassing is, ziet de rechtbank daarin geen grond om te oordelen dat het gewijzigde standpunt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Weliswaar heeft de procedure vertraging opgelopen die voorkomen had kunnen worden als de vrouw haar (uiteindelijke) standpunten over haar gewone verblijfplaats en het toepasselijke recht eerder naar voren had gebracht, maar daar staat tegenover dat de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen over het toepasselijke recht en de mondelinge behandeling van het verzoek nog moet plaatsvinden. Er is daarmee voldoende gelegenheid voor de man om (gewijzigd) verweer te voeren op basis van de stellingen zoals die thans zijn ingenomen en de beslissing die de rechtbank in deze beschikking gaat nemen over het toepasselijk recht. Omdat de rechtbank pas bij de eindbeschikking een beslissing neemt over de proceskosten, houdt de rechtbank de beslissing daarover aan. Dat geeft de vrouw bovendien de gelegenheid om zich nog uit te laten over het door de man gedane verzoek over de proceskosten. 2.
  10. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft van toepassing. Tussen partijen is in geschil waar de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank stelt voorop dat dit protocol niet voorziet in een definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’. Voor de uitleg van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Uit de Tweede Finse zaak (ECLI:EU:C:2009:225) en de Mecredi-zaak (ECLI:EU:C:2010:829) van het HvJEU volgt dat voor de bepaling van de gewone verblijfplaats onder meer van belang is: (a) de duur van het verblijf, (b) de regelmatigheid van het verblijf, (c) de omstandigheden van en de redenen voor het verblijf, (d) de nationaliteit van een persoon en (e) familiale en sociale banden. De vrouw verblijft inmiddels al twee jaar in Tsjechië. In haar verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoek wordt namens de vrouw beschreven dat zij in Tsjechië een bedrijf is gestart en de bedoeling heeft om dat bedrijf te laten renderen. Ook heeft de vrouw haar piano naar Tsjechië laten overbrengen. Uit de door de man overgelegde schermafbeelding van de LinkedIn-pagina van de vrouw volgt tevens dat zij werkzaam is bij [bedrijf] in Tsjechië (productie H van de man). Hieruit leidt de rechtbank af dat de vrouw inmiddels een leven heeft opgebouwd of aan het opbouwen is in Tsjechië. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat zij enkel terecht kon bij vrienden in Tsjechië, dit impliceert dat zij voornamelijk familiale en sociale banden heeft in Tsjechië. Ten tijde van de mondelinge behandeling is namens de vrouw verklaard dat zij niet de intentie heeft om zich definitief in Tsjechië te vestigen, maar desgevraagd heeft de vrouw verklaard geen concrete plannen te hebben voor vertrek uit dat land. Vervolgens is in het F9-formulier van 20 december 2024 van haar advocaat gesteld dat de vrouw terug wil verhuizen naar Nederland, maar dat standpunt is, mede in het licht van de eerder ingenomen standpunten, onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd. Zo heeft zij niet inzichtelijk gemaakt wanneer zij zal terugkeren en waar zij hier in Nederland zal gaan wonen en werken. Haar enkele stelling dat zij de intentie heeft terug te keren is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de gewone verblijfplaats van de vrouw Nederland is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de vrouw gelegen is in Tsjechië. Dit betekent dat ingevolge artikel 3 van voornoemd protocol het Tsjechisch recht van toepassing is op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage. 2.
  11. Artikel 5 van voornoemd protocol bepaalt evenwel dat in geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk, artikel 3 niet van toepassing is indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere staat, in het bijzonder dat van de staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. De vrouw verzet zich bij wijze van subsidiair standpunt tegen toepassing van het Tsjechisch recht. Volgens haar is het Nederlands recht nauwer verbonden met het huwelijk van partijen. De rechtbank volgt de vrouw in haar subsidiaire standpunt, waartegen de man overigens geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Partijen zijn gehuwd in Nederland, hebben tijdens hun huwelijk altijd hier gewoond, hebben beiden de Nederlandse nationaliteit en hadden in Nederland hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op grond van artikel 5 van voornoemd protocol artikel 3 buiten toepassing laten, en komt zij tot het oordeel dat het Nederlands recht op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage van toepassing is. 2.
  12. Op de mondelinge behandeling van 3 december 2024 is het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage niet inhoudelijk behandeld. Dit verzoek, en het door de man gedane verzoek de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zullen inhoudelijk worden besproken op de geplande mondelinge behandeling die plaatsvindt op de hierna in het dictum genoemde datum en het genoemde tijdstip. Partijen mogen tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling aanvullende stukken indienen en recente berekeningen overleggen. Iedere verdere beslissing op de verzoeken tot vaststelling van een partnerbijdrage en de proceskostenveroordeling wordt aangehouden. 3De beslissing De rechtbank 3.
  13. houdt de behandeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage en het verzoek van de man de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure aan tot de mondelinge behandeling van [datum] 2025 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW. De behandelend rechter is mr. Bollen; 3.
  14. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor partijen en hun advocaten; 3.
  15. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 februari
  16. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.