RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-003902-25 vonnis van de meervoudige kamer van 1 augustus 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg raadsvrouw mr. C.R. Pirone, advocaat te Rijen 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juli 2025, waarbij de officier van justitie, mr. M.A.M. Dekkers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een fatbike heeft weggenomen van [aangever] waarbij geweld werd gebruikt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en de raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte enkel blijkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van de [aangever] en dat zonder zijn medeweten een mededader de fatbike van aangever heeft meegenomen. Omdat het verdachte niet te doen was om de fatbike en hij ook niet de beslissing heeft genomen om die fatbike mee te nemen, is de raadsvrouw van mening dat dit onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van de nauwe en bewuste samenwerking om de fatbike met geweld weg te nemen en dat verdachte daarom van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte op 8 oktober 2024 aan het begin van de avond samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en met anderen in het Wilhelminapark in Tilburg was. Op enig moment reed [aangever] op zijn fatbike door het park. Daarbij raakte hij al rijdend verdachte. Deze is, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , achter aangever aangegaan. [medeverdachte 1] reed daarbij op een gewone (elektrische) fiets, verdachte en [medeverdachte 2] reden ieder op een fatbike. Toen aangever over de Veldhovenring fietste, werd hij door de drie personen tegengehouden. Verdachte heeft aangever een klap gegeven waardoor aangever op de grond terecht is gekomen. Terwijl aangever op de grond lag, heeft verdachte hem nog een aantal klappen gegeven en is hij door verdachte en de medeverdachten tegen het lichaam geschopt. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en | [medeverdachte 1] gezamenlijk vertrokken. [medeverdachte 1] heeft de fatbike van aangever gepakt en is daarop weggereden. Verdachte is op zijn eigen fatbike weggereden en heeft de elektrische fiets van [medeverdachte 1] aan de hand meegevoerd. Medeplegen Uit vaste rechtspraak volgt dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking met een ander is vereist. Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken, is het niet noodzakelijk dat verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Hij moet echter wel een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict. Naar het oordeel van de rechtbank – en in lijn met vaste rechtspraak – is het daarvoor niet nodig dat er voorafgaande aan het delict uitdrukkelijke afspraken zijn gemaakt. Een stilzwijgende samenwerking kan ook een bewuste en nauwe samenwerking – en daarmee medeplegen – opleveren. Uit de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een gezamenlijk optreden door verdachte en de medeverdachten gericht op de diefstal van de fatbike. Omstanders hebben gezien dat drie personen om het slachtoffer staan voordat de fatbike gestolen wordt. Alle drie de verdachten gebruiken geweld tegen aangever Toen [medeverdachte 1] op de fatbike van aangever is weggereden, heeft verdachte de fiets van [medeverdachte 1] aan de hand meegenomen. Verdachte en medeverdachten zijn er samen vandoor gegaan. Als aangever daarna met de bestuurder van een passerende auto achter de verdachten aan gaat, komt het enkele straten verderop opnieuw tot een confrontatie. [getuige] wilde hierbij ingrijpen en ook hij is daarbij door verdachte geslagen teneinde te verhinderen dat de fatbike zou teruggaan naar aangever. [medeverdachte 2] heeft daarbij ook tegen [getuige] geroepen “You stay there”. Na deze confrontatie zijn verdachte, [verdachte] en [medeverdachte 1] (wederom) met de fatbike van aangever vertrokken. Op grond van het voorgaande in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vast is komen te staan. De bijdrage van verdachte aan het feit is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht, dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Opzet en oogmerk Verdachte heeft aangevoerd dat hij, zo begrijpt de rechtbank, geen opzet had op het wegnemen van de fatbike of het oogmerk had om deze te stelen, maar dat hij aangever alleen wilde slaan, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, is sprake van medeplegen hetgeen impliceert dat verdachte en de medeverdachten opzettelijk hebben samengewerkt tot het plegen van de diefstal. Het verweer wordt verworpen. Conclusie Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend dat verdachte tezamen en in vereniging met twee anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 oktober 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, een fatbike die geheel aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken door die [aangever] :- meermalen te slaan tegen het lichaam, en - meermalen te trappen tegen het lichaam; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging Betreffende een aan verdachte op te leggen straf heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een zo kort mogelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat hij zo snel mogelijk na zijn detentie kan aanvangen met de voor hem zo noodzakelijke therapie. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld van een fatbike. Aangever is door verdachte geslagen, waardoor hij op de grond terecht is gekomen. Ook is aangever daarbij geschopt. Verdachte verklaart dat hij boos was door de reactie van aangever, nadat deze tegen hem aan was gereden. Vervolgens zijn de verdachten gezamenlijk, met medeneming van de fatbike van aangever, er vandoor gegaan. Door de verdachten is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dergelijke straatroven zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder. Bovendien geven zij blijk van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen. De rechtbank acht het kwalijk dat een dergelijke geringe gebeurtenis aanleiding is voor verdachte om zo agressief te reageren. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 27 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte op 13 februari 2025 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie en voor geweldsmisdrijven. Daarmee is er sprake van toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank zal hiermee bij de strafbepaling rekening houden. Ook blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij in 2021 en in 2022 eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven tot telkens forse voorwaardelijke straffen en dat twee van die voorwaardelijke straffen inmiddels bij eerdergenoemd vonnis van 13 februari 2025 ten uitvoer zijn gelegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.