proces-verbaal RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/435713 / KG ZA 25-248 proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden met gesloten deuren, op 27 juni 2025 in de zaak van [de vrouw], wonende te [woonplaats 1], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen, tegen [de man], wonende te [woonplaats 2], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. F.C. Hoogeveen te Middelburg. Ouders van het minderjarige kind: - [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna: [minderjarige]. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. De mondelinge behandeling wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding. Tegenwoordig zijn mr. I. Dijkman, voorzieningenrechter, en drs. T. Swint, griffier. Na uitroeping van de zaak zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. De Houck, de man, bijgestaan door mr. Van Dijke, kantoorgenoot van mr. Hoogeveen, mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Verklaard is als volgt: P.M. Hierop is het verhoor beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. De Houck desgevraagd verklaard dat haar vordering feitelijk de teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland (naar moeder) inhoudt. De voorzieningenrechter heeft vervolgens besproken dat de grondslag voor een teruggeleidingsverzoek te vinden is in het Haags Kinderontvoeringsverdrag
- Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een op het Haags Kinderontvoeringsverdrag gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt (ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Dat zou in onderhavig geval België zijn. Als het Haags Kinderontvoeringsverdrag van toepassing is, dan is Brussel II ter ook van toepassing, te weten artikelen 22 tot en met
- De vraag is momenteel dan ook ontstaan of de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is onderhavige zaak te behandelen. Gezien het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de zaak aanhouden en worden de advocaten in de gelegenheid gesteld om zich op uiterlijk 4 augustus 2025 over de bevoegdheid van deze rechtbank uit te laten. Indien tot de conclusie wordt gekomen dat Nederland wel bevoegd is, wordt beide advocaten eveneens verzocht om in te gaan op de vraag of de rechtbank Zeeland-West-Brabant al dan niet bevoegd is gelet op artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet Internationale Kinderontvoering. Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling hebben de ouders (en hun advocaten), samen met mevrouw [naam] van de Raad, afspraken gemaakt over een vakantieregeling voor de zomervakantie van
- Deze luiden als volgt: [minderjarige] verblijft van 28 juni 2025 10.00 uur tot 29 juni 2025 19:00 uur bij de vrouw; [minderjarige] verblijft van 29 juni 2025 19.00 uur tot 30 juni 2025 19.00 bij de man (30 juni is zijn laatste schooldag in België); [minderjarige] verblijft van 30 juni 2025 19:00 uur tot 6 juli 2025 te 19:00 uur bij de vrouw; [minderjarige] verblijft van 6 juli 2025 19:00 uur tot 13 juli 2025 19:00 uur bij de man; [minderjarige] verblijft van 13 juli 19:00 uur tot 27 juli 2025 te 19:00 uur bij de vrouw; [minderjarige] verblijft van 27 juli 2025 19:00 uur tot 10 augustus 2025 19:00 uur bij de man; de overdracht van [minderjarige] gebeurt in het midden (bij [locatie]) op de hierboven aangegeven tijdstippen. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter, in samenspraak met partijen, de zaak aanhouden tot 4 augustus 2025 PRO FORMA. Van de advocaten wordt verwacht dat zij uiterlijk op de pro forma datum aan de rechtbank hun standpunten ten aanzien van de hiervoor opgeworpen bevoegdheidsvragen doen toekomen. Waarvan proces-verbaal.