RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/4555 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2023 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding
- Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2023 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. 1.
- De rechtbank heeft het verzet op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde vergezeld door [naam], kantoorgenoot van gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 december 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het verzet op tijd ingediend?
- Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
- De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op 20 december 2023 via het digitale portaal aan partijen is verzonden. Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het verzet is digitaal bij de rechtbank ontvangen op 5 februari
- Dat is na afloop van de verzetstermijn. Het verzetschrift is dus niet tijdig ingediend. Is het te laat indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar?
- De rechtbank is van oordeel dat van gemachtigde – onder de in verzet geschetste persoonlijke omstandigheden – in redelijkheid niet kon worden gevergd om tijdig verzet in te stellen. Gemachtigde heeft vervolgens zo snel als mogelijk alsnog verzet ingesteld. De termijnoverschrijding is daarom verontschuldigbaar. De rechtbank zal het verzet beoordelen. Beoordeling van het verzet
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de kennisgeving geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking is.
- De rechtbank acht dat juist. De inspecteur heeft met de kennisgeving aan belanghebbende laten weten welke bedragen aan vergoedingen vermeerderd met wettelijke rente aan belanghebbende zouden worden uitbetaald als gevolg van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 augustus
- Een dergelijke kennisgeving is geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Anders dan belanghebbende stelt, staat het Unierecht niet aan dit oordeel in de weg. Conclusie en gevolgen
- De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 december
- Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Immateriële schadevergoeding
- Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechtbank kan een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege blijven omdat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat tegen een kennisgeving kostenvergoeding geen bezwaar kan worden gemaakt. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet ongegrond; wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 5 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:55 in samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb. Ter voldoening aan het bepaalde uit artikel 8:38 van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:55 in samenhang met 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660.