← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:5476

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/425942 / FA RK 24-3925 datum uitspraak: 3 april 2025 beschikking betreffende levensonderhoud in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. L.A.E. Bregonje-Voermans, kantoorhoudende te Terneuzen, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.G.M. Baas, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.

  1. Het procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 26 augustus 2024 ontvangen verzoekschrift tot wijziging bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging ex art. 1:401 BW, met bijlagen; - het op 15 november 2024 ontvangen verweerschrift; - de brief d.d. 5 februari 2025 van mr. Bregonje-Voermans, met bijlagen; - de brieven d.d. 6 februari 2025 en 10 februari 2025 van mr. Baas, beide met bijlagen; - de brief d.d. 12 februari 2025 van mr. Baas, met bijlage. 1.
  3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 17 februari
  4. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. 2De feiten 2.
  5. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2]
  6. 2.
  7. De man heeft de beide minderjarigen erkend. 2.
  8. Partijen zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.
  9. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.
  10. Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over de minderjarigen. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in een door hen op respectievelijk 9 juli 2020 en 10 juli 2020 ondertekend ouderschapsplan. Dit ouderschapsplan bevat voor zover thans van belang de navolgende bepaling: “KinderalimentatieMet ingang van 1 mei 2020 tot 1 januari 2021 betaalt de vader als bijdrage in de kosten van de kinderen aan de moeder een bedrag van € 175,-- per kind per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen. Met ingang van 1 januari 2021 en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de moeder wonen, betaalt de vader bij vooruitbetaling aan de moeder een alimentatie voor de kinderen van € 150,-- per kind per maand, te verhogen met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.Voor zover aangenomen zou worden dat de ouders met deze afspraak welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, geldt dat deze afspraak desondanks steeds te wijzigen is.” 2.
  11. Ingevolge voormeld ouderschapsplan dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering- € 178,76 per kind per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. 3Het verzoek 3.
  12. Na wijziging van het aanvankelijk door hem ingediende verzoek, verzoekt de man thans bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van [datum] 2024, althans met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift ‒zijnde 26 augustus 2024‒, te wijzigen in die zin dat de bijdrage kinderalimentatie wordt bepaald op nihil, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag. 3.
  13. De vrouw voert verweer. Zij verzoekt te bepalen dat de verzoeken van de man niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel worden afgewezen. 3.
  14. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang, hierna ingegaan. 4
  15. De beoordeling 4.
  16. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Wijziging omstandigheden 4.
  17. De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds de ondertekening van voormeld ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man stelt hiertoe dat er sprake is van een tweetal wijzigingen van omstandigheden. De eerste wijziging is dat de vrouw inmiddels meer is gaan verdienen en aldus een hogere draagkracht heeft dan ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan. De tweede wijziging betreft het feit dat de man op [datum] 2024 opnieuw vader is geworden, te weten van [naam 1] , waardoor hij thans onderhoudsplichtig is voor drie kinderen in plaats van twee. 4.
  18. De vrouw erkent dat sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond van het feit dat de man een kind heeft gekregen met zijn nieuwe partner. 4.
  19. Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. 4.
  20. Tussen partijen staat aldus vast dat de man op [datum] 2024 opnieuw vader is geworden door de geboorte van [naam 1] . Aldus heeft zich door de geboorte van [naam 1] een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken. Ingangsdatum 4.
  21. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de ingangsdatum van de door de man verzochte wijziging van de kinderbijdrage. Uitgangspunt is dat artikel 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van een ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. 4.
  22. De man verzoekt de wijziging van de kinderbijdrage te laten ingaan op [datum] 2024, omdat hij vanaf die datum opnieuw vader is geworden. De vrouw stelt dat de man tot februari 2025 heeft betaald en dat de vrouw niet zou moeten terugbetalen omdat het geld is gespendeerd aan de minderjarigen. 4.
  23. De rechtbank zal, als tussen partijen niet in geschil, als ingangsdatum van een eventuele wijziging van de thans geldende bijdrage hanteren de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, te weten [datum]
  24. Met ingang van die datum is de man immers ook onderhoudsplichtig geworden voor [naam 1] . De rechtbank zal later beoordelen of voor de vrouw gehouden kan worden te voldoen van een eventuele terugbetalingsverplichting. Behoefte Behoefte minderjarigen 4.
  25. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan in 2020 € 289,= per kind per maand bedroeg. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte in 2024 € 333,= per maand per kind. Behoefte [naam 1] 4.
  26. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [naam 1] dient te worden bepaald aan de hand van het inkomen van de man en de nieuwe partner van de man, mevrouw [naam 2] , over
  27. Voorts is niet in geschil dat geen rekening dient te worden gehouden met een vakantietoeslag, nu dit in het salaris is verwerkt. Uitgaande van deze niet in geschil zijnde uitgangspunten becijfert de rechtbank de behoefte van [naam 1] als volgt. 4.
  28. Uit de brief van 5 februari 2025 en de daarbij overgelegde jaaropgaven over 2024 volgt dat de man een inkomen had van € 10.326,= en een inkomen van € 35.165,=. In totaal was het inkomen van de man in 2024 € 45.491,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting). 4.
  29. Uit de jaaropgaaf over 2024 volgt dat mevrouw [naam 2] dat jaar een inkomen had van € 35.843,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomens-afhankelijke combinatiekorting). 4.
  30. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 2.986,= per maand en van mevrouw [naam 2] op een bedrag van € 2.800,= per maand. De rechtbank is van oordeel dat verder rekening dient te worden gehouden met de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van, geïndexeerd naar 2024, € 168,= per kind per maand en dus € 336,= totaal per maand. Het NBGI van de man en mevrouw [naam 2] komt dan op € 5.450,= per maand. 4.
  31. Dit NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarige in 2024 op van € 792,= per maand. Draagkracht vrouw 4.
  32. Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw betwist de man dat de vrouw minder is gaan moeten werken, omdat dat haar vanuit de werkgever zou zijn opgedragen. Reeds in oktober 2024 heeft de vrouw al aangegeven dat haar werkuren niet meer te combineren zijn met de zorg voor de minderjarigen. Zij heeft toen aangekondigd minder te gaan werken. De vrouw heeft de noodzaak minder te moeten werken niet aangetoond. De vrouw wordt vanuit haar werkgever gedetacheerd naar het project [project] . Dat daar minder uren beschikbaar zijn, maakt niet dat er noodzaak is minder te gaan werken. De vrouw kan immers bij legio andere projecten worden ingezet. De door de vrouw overgelegde e-mail van de werkgever is onvoldoende. Gezien de door de vrouw eerder geuite wens minder te willen gaan werken, lijkt het erop dat zij zelf heeft aangestuurd op urenvermindering. Bovendien had de vrouw kunnen anticiperen op het inkomensverlies, nu zij dit al geruime tijd wist. De vrouw kan ook makkelijk 32 uur per week werken. Er is aldus sprake van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. Gerekend dient dan ook te worden met het inkomen van de vrouw volgens de salarisspecificaties van 2024 van week 1 t/m 23, omdat zij toen in ieder geval 32 uur per week werkte. Daarnaast stelt de man dat de vrouw, hoewel zij niet op hetzelfde adres zijn ingeschreven, weldegelijk samenwoont als zijnde gehuwd en dat de woonlasten dus kunnen worden gedeeld. Dat de vrouw samenwoont blijkt ook uit het feit dat zij twee auto’s op haar naam heeft, te weten ook een auto van haar partner. Aan de eisen van artikel 1:160 BW is volgens de man voldaan. 4.
  33. De vrouw stelt dat uit de door haar overgelegde verklaring van de werkgever blijkt dat zij per januari jl. minder is gaan moeten werken. Dit is de reden dat zij thans minder inkomen heeft. De vrouw heeft inderdaad aangegeven dat de zorg van de minderjarigen in combinatie met 32 uur werken te veel was, maar de reden dat haar inkomen is gedaald is door bedrijfsmatige keuzes. Er is dan ook geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies; ze kiest er immers niet zelf voor. Ten tijde van het uiteengaan van partijen had de vrouw minder inkomen dan nu. Zij is zelf meer gaan werken en dus ook meer gaan verdienen. De vrouw is gedetacheerd bij [project] . Op 31 december 2024 zou haar contract aldaar verlopen. Zij kon enkel nog een kwartaal langer blijven in geval zij 28 uur per week zou gaan werken. De vrouw is inmiddels hard op zoek naar nieuw werk, maar dit is nog niet afgerond. De vrouw betwist uitdrukkelijk samen te wonen. De partner van de vrouw heeft een eigen woning in België. Zij zien elkaar in het weekend. Dat de vrouw twee auto’s op haar naam heeft klopt, maar dit is omdat haar partner in haar oude auto rijdt. 4.
  34. Tussen partijen is aldus in geschil of aan de zijde van de vrouw sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en daarnaast of rekening moet worden gehouden met de helft van het woonbudget, omdat zij volgens de man zou samenwonen. De rechtbank oordeelt ten aanzien van het inkomen van de vrouw als volgt. De vrouw is niet open over wat zij thans verdient en wat zij gaat verdienen. Door haar zijn geen recente inkomstengegevens overgelegd. Van de vrouw mag verwacht worden dat zij beter onderbouwd en gemotiveerd aangeeft wat zij aan inkomen genereert. De vrouw heeft toegelicht dat zij op dit moment voor de duur van drie maanden, en dus tot eind maart 2025, 28 uur per week werkt. De vrouw had ervoor kunnen kiezen een andere baan te nemen met een vergelijkbaar inkomen en daarmee inkomensverlies te vermijden. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dit haar niet zou lukken, hetgeen door de vrouw ook niet is aangetoond. Bovendien, ervan uitgaande dat de urenvermindering voor de duur van drie maanden niet op initiatief van de vrouw is, ziet de rechtbank dit dan ook als een tijdelijke situatie, die niet het uitgangspunt moet zijn voor het vaststellen van een langdurige kinderbijdrage. De rechtbank zal om deze redenen rekenen met de inkomensgegevens zoals deze bekend zijn over de weken 1 t/m 22 van
  35. Dit is bovendien het inkomen dat zij ten tijde van de ingangsdatum verdiende. 4.
  36. De man heeft naar de rechtbank begrijpt geen beroep willen doen op het rechtsgevolg van artikel 1:160 BW, maar heeft met zijn verwijzing naar dit artikel willen aantonen dat sprake is van een dergelijke situatie, waardoor thans in ieder geval rekening dient te worden gehouden met de helft van het woonbudget. De rechtbank zal dit argument passeren omdat onbetwist vast staat dat de vrouw en haar nieuwe partner elk een eigen woning hebben. De vrouw kan haar woonlasten derhalve niet delen. Voor wat betreft de woonlasten hanteert de rechtbank dan ook het volledige woonbudget, te weten 30% van het NBI. 4.
  37. Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank met inachtneming van het vorenstaande verder uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De rechtbank houdt rekening met een inkomen aan de zijde van de vrouw van, als door de man gesteld en door de vrouw niet betwist, € 31.044,= bruto per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de ingehouden pensioenpremie. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.043,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.248,= per maand. 4.
  38. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 703,= per maand. Draagkracht man 4.
  39. De vrouw stelt dat bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de laatst bekende loonstrook. Volgens de vrouw heeft de man sinds januari 2025 ouderschapsverlof. Hij heeft gezegd dit expres op te nemen zodat hij minder draagkracht heeft. Het opnemen van dit ouderschapsverlof dient voor rekening en risico van de man te komen en niet voor de minderjarigen, aldus de vrouw. Ten aanzien van het overige zijn partijen het eens over de te hanteren uitgangspunten. 4.
  40. De man stelt ten aanzien van zijn draagkracht dat hij vanaf augustus 2024 ouderschapsverlof heeft opgenomen met als reden om op de kosten van kinderopvang te besparen. Omdat door de man in zijn berekening rekening is gehouden met ouderschaps-verlof, zijn de wel aanwezige kinderopvangkosten van € 270,22 netto per maand, niet in zijn berekening meegenomen. Voor het geval de rechtbank het standpunt van de vrouw volgt en geen rekening houdt met het ouderschapsverlof, stelt de man zich op het standpunt dat alsnog rekening dient te worden gehouden met de kinderopvangkosten. De man merkt daarbij op dat het hem vrijstaat ouderschapsverlof op te nemen om daardoor meer tijd te kunnen doorbrengen met [naam 1] . Het ouderschapsverlof duurt in ieder geval nog tot augustus 2025, waarna de man eventueel nog tegen 40% inkomen ouderschapsverlof kan opnemen. Of hij dit gaat doen heeft hij nog niet uitgezocht. 4.
  41. De rechtbank zal bij de bepaling van de draagkracht rekening houden met het feitelijke inkomen van de man. De rechtbank vindt het standpunt van de man om rekening houdend met het ouderschapsverlof, de kosten van kinderopvang niet mee te nemen, redelijk. De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden maken dat de man had behoren af te zien van het opnemen van ouderschapsverlof. Het ouderschapsverlof geeft geen aanleiding te rekenen met een hoger inkomen dan hij feitelijk verdient. Wanneer de man zijn ouderschapsverlof tegen het huidige tarief per augustus 2025 is verlopen, zullen de netto kosten van kinderopvang dan wel ouderschaps-verlof enkel hoger worden, hetgeen dan ook niet aannemelijk maakt dat de man vanaf dan een hogere draagkracht zal hebben. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van het feitelijke inkomen van de man zoals dit bekend is vanaf het moment dat hij ouderschapsverlof opneemt. 4.
  42. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank met inachtneming van het vorenstaande verder uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de salarisspecificatie over januari 2025 een inkomen van € 3.699,= bruto per maand, vakantietoeslag daarbij inbegrepen. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde (pensioen)premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting). Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.674,= per maand. 4.
  43. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 421,= per maand. 4.
  44. De rechtbank constateert dat de kersverse ouders van [naam 1] de keuze hebben gemaakt om allebei minder uren te werken en daarmee relevant minder te gaan verdienen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om in de verdeling van de draagkracht van de man als uitgangspunt te hanteren een gelijke verdeling van de draagkracht over de 3 minderjarigen. Immers, de geboorte van [naam 1] zou anders zowel in de (hogere) behoefte van [naam 1] als in de (lagere) draagkracht van de ouders een negatief effect hebben op de beschikbare middelen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bij gelijke verdeling van de draagkracht van de man, heeft de man ruimte voor een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 140,= per maand per kind. 4.
  45. Omdat met de draagkracht van partijen samen volledig kan worden voorzien in de behoefte van de minderjarigen, bestaat er geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de helft van het forfait dan wel woonbudget. Draagkrachtverdeling 4.
  46. De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 280,= / € 983,= x € 666,= = € 190,= het aandeel van de vrouw bedraagt: € 703,= / € 983,= x € 666,= = € 476,= Zorgkorting 4.
  47. De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 25% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. 4.
  48. De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar. Zij stelt dat de man gemiddeld 1,8 dagen per week de zorg voor de minderjarigen heeft en derhalve uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 15% 4.
  49. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw niet. De man heeft gemiddeld twee dagen per week de zorg voor de minderjarigen, zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 666,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 166,= per maand. Conclusie met betrekking tot de te betalen bijdrage 4.
  50. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van [datum] 2024 wijzigen en bepalen op € 12,= per maand per kind. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 € 12,78 per maand per kind. 4.
  51. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit. Terugbetalingsverplichting 4.
  52. Nu de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum zal verlagen, moet de rechtbank aan de hand van de gebleken feiten en omstandigheden beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is de rechtbank niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Bij de beoordeling moet de rechter ook het belang van de man om het te veel betaalde terug te krijgen in aanmerking nemen. 4.
  53. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw door het oorspronkelijke verzoek van de man in de veronderstelling mocht verkeren dat de verlaging van de onderhoudsbijdrage zich zou beperken tot een (klein) deel van de onderhoudsbijdrage. De inkomens van de man en zijn nieuwe partner waren tot aan de geboorte van [naam 1] samen aanzienlijk hoger dan het inkomen van de vrouw. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw vermogen heeft waaruit zij een terugbetaling zou kunnen voldoen. Pas vanaf 1 februari 2025 moest het door de wijziging van het verzoek voor de vrouw duidelijk zijn dat de man van mening was veranderd en dat hij vond dat hij, naast de zorgkosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zij bij hem zijn, niets (meer) aan de vrouw verschuldigd is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw niet gehouden is hetgeen de man tot aan 1 februari 2025 teveel heeft betaald aan onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aan de man terug te betalen. 5De beslissing De rechtbank wijzigt de afspraken van partijen zoals vastgelegd in het op respectievelijk 9 juli 2020 en 10 juli 2020 ondertekend ouderschapsplan als volgt: bepaalt dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, nader wordt vastgesteld, voor de periode van [datum] 2024 tot en met 31 december 2024 op € 12,=, per kind per maand, en vanaf 1 januari 2025 op € 12,78, per kind per maand; bepaalt dat de vrouw jegens de man geen terugbetalingsverplichting heeft met betrekking tot de door de man aan haar teveel betaalde kinderalimentatie in de periode van [datum] 2024 tot 1 februari 2025; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Noort, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april
  54. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.