← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:5488

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3995 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2025 in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker, (gemachtigde: mr. K.M. Peters), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, het college. Aan deze procedure neemt deel: [vergunninghouder], uit [plaats] (vergunninghouder). Inleiding Verzoeker heeft bij brief van 14 augustus 2025 beroep ingesteld tegen bestreden besluit van 7 augustus 2025 inzake de verleende omgevingsvergunning van 2 december 2024voor het slopen van een oude schuur en de bouw van een garage op het [adres] in [plaats]. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1 Vergunninghouder heeft telefonisch toegelicht dat hij is gestart met de sloop van de aanwezige schuur. Hij heeft daarbij zorgen geuit over het feit dat indien de sloop zou worden stilgelegd, de nog aanwezige constructie instabiel is en mogelijk instortingsgevaar kan optreden. Dit is voorgelegd aan verzoeker. Verzoeker heeft de rechtbank desondanks verzocht de (sloop)werkzaamheden stil te leggen. 2.
  2. De voorzieningenrechter is op korte termijn niet in staat om een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om voorlopige voorziening. Vergunninghouder is op eigen risico gestart met de sloopwerkzaamheden. Uit de mondelinge toelichting is niet gebleken dat reeds sprake is van een acuut instortingsgevaar. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk twee weken na de zitting op 22 augustus 2025 waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat vergunninghouder tot die tijd geen gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning en dat de werkzaamheden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft tot die tijd niet mogen worden uitgevoerd. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden. Beslissing De voorzieningenrechter schorst de werking van de besluiten van 2 december 2024 en 7 augustus
  3. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 15 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.