RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/3500 WMO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres gemachtigde: mr. M.M.G. Jurkiewicz, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de hoogte van het haar toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). 2. Eiseres voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college een juist besluit heeft genomen door het tarief voor informele zorg toe te kennen. 2.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het tarief juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 3. Het college heeft met het besluit van 2 november 2023 (primair besluit) eiseres van 1 oktober 2023 tot en met 31 mei 2024 in aanmerking gebracht voor individuele begeleiding gedurende drie uur per week tegen het informele tarief van € 16,48 per uur. Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het informele tarief per 1 oktober 2023 vastgesteld op € 23,23 per uur. 3.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 3.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres bijgestaan door haar partner, de gemachtigde van eiseres en namens het college [naam] . Beoordeling door de rechtbank 4. Eiseres, geboren op [datum] 1967, is beperkt in haar zelfredzaamheid als gevolg van complexe lichamelijke en psychische beperkingen. Zij heeft het college verzocht om verlenging van de maatwerkvoorziening begeleiding individueel met de huidige [zorgverlener] van [eenmanszaak]. De begeleiding heeft betrekking op het aanbrengen en behouden van structuur in activiteiten, huis en gezin. [zorgverlener] biedt al jarenlang begeleiding aan eiseres tegen het tarief van een professioneel zorgverlener. Op grond van een onderzoek van de toezichthouder Wmo en Jeugdwet in 2021/2022 naar de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de zorg die door [zorgverlener] wordt verleend, heeft het college geconcludeerd dat [zorgverlener] niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen voor het tarief van een professioneel zorgverlener. 5. Standpunt van het college. Het college stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat [zorgverlener] niet kan worden beschouwd als professionele zorgverlener omdat zij niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen, waaronder opleidingseisen. Daarom heeft eiseres recht op het pgb-tarief voor een niet professionele zorgverlener. 6. Beroepsgronden. Eiseres voert aan dat haar zorgverlener als professioneel zorgverlener moet worden aangemerkt met het daarbij behorende tarief. Eiseres wijst erop dat haar zorgverlener dat al 16 jaar is en dat zij niet begrijpt waarom zij ineens niet meer zou voldoen. Eiseres stelt dat het college haar beleidsvrijheid heeft overschreden. De begeleiding betreft structuur behouden en is niet therapeutisch of medisch van aard. De begeleiding is bovendien blijvend noodzakelijk. De eisen die het college stelt zijn volgens eiseres onredelijk. Eiseres wijst er verder op dat de in bijlage 5 opgesomde eisen niet overeenkomen met die in het budgetplan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een verklaring van [zorgverlener] van 25 juni 2025 overgelegd waarin deze toelicht waarom zij wel aan de kwaliteitseisen voldoet. 7. Overwegingen. 7.1. Procesbelang. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om de beoordeling over een afgesloten periode. Uit het beroepschrift volgt dat [zorgverlener] steeds de zorg is blijven verlenen tegen het lagere pgb- tarief, maar dat zij het hogere tarief wenst. Eiseres heeft gelet hierop belang bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. 7.2. Hoogte van het pgb. Niet in geschil is dat eiseres is aangewezen op de maatwerkvoorziening begeleiding individueel en dat zij formele zorg nodig heeft op grond van haar complexe lichamelijke en psychische problematiek. In geschil is de hoogte van het pgb-tarief dat wordt geboden voor de begeleiding door zorgverlener [zorgverlener]. De vraag is of zij wel of niet kan worden aangemerkt als professioneel zorgverlener. Het college is bevoegd voor niet professionele zorgverleners een lager tarief vast te stellen mits dit is geregeld in de Verordening. In de artikelen 5.18 en 5.19 en bijlage 5 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 van de gemeente Tilburg (Verordening) heeft het college de voorwaarden en de tarieven nader uitgewerkt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat formele zorg kan worden geboden tegen een professioneel en een niet-professioneel tarief. Om voor het professioneel tarief in aanmerking te komen, moet aan een aantal eisen zijn voldaan die is opgenomen in bijlage 5 van de Verordening. Het college heeft in deze zaak als belangrijkste reden voor het niet toekennen van het professioneel tarief gegeven het feit dat [zorgverlener] niet voldoet aan de gestelde opleidingseisen. Het college heeft dit zodanig ingevuld dat een relevante (beroeps)opleiding nodig is, te weten een agogische opleiding op hbo-niveau. Dat het college de eis van een agogische opleiding stelt aan het verlenen van professionele zorg, acht de rechtbank niet buitenproportioneel. Het college mag immers eisen stellen aan de geboden zorg. Het uitgangspunt dat een hulpverlener voor toekenning van het professioneel tarief moet beschikken over een passend diploma is daarbij een middel om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de met een pgb ingekochte zorg te waarborgen. De rechtbank is verder van oordeel dat het college, anders dan eiseres stelt, haar beleidsvrijheid niet heeft overschreden door van [zorgverlener] een agogische opleiding te verlangen. De rechtbank wijst erop dat artikel 5.18, derde lid, van de Verordening duidelijk is waar is bepaald dat alleen voor professionele zorgverleners die voldoen aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 5 het tarief voor een professionele zorgverlener kan worden toegekend. Zorgverleners die niet voldoen aan deze eisen ontvangen het tarief van de informeel zorgverlener. In de bijlage is onder meer bepaald: “De medewerkers/zorgverleners beschikken over ervaringen, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.