← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:5587

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2705 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025 in de zaak tussen [verzoekster], uit [plaats 1], verzoekster en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, het college. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V., uit [plaats 2]. Inleiding Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een zonneweide en een energie-opslagsysteem op de [locatie] in [plaats 3]. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 385,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald? De griffier heeft bij aangetekend ([kenmerk]) verzonden brief van 5 juni 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De brief is verzonden naar het adres zoals door verzoekster is opgegeven in het verzoekschrift: ‘[adres] in [plaats 1]’. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekende brief op 12 juni 2025 is afgehaald. Omdat de rechtbank geen betaling heeft ontvangen binnen de gestelde termijn, heeft de rechtbank de nota op 31 juli 2025 opnieuw per gewone post verzonden aan verzoekster. Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar? Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Conclusie en gevolgen Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 20 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.