RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/438459 / JE RK 25-1434 Datum uitspraak: 26 augustus 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. M.C.G. Voogt uit Breda. 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 augustus 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven. [minderjarige 1] heeft een brief geschreven, maar deze brief heeft de kinderrechter niet voor de zitting ontvangen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter de brief van [minderjarige 1] via de GI kunnen lezen. 2De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 september 2024 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 september 2024 tot 3 maart 2025 en is de behandeling van het verdere verzoek aangehouden. Bij beschikking van 20 februari 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 maart 2025 tot 3 september 2025. 3Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat begin 2025 een begeleidster van de [hulpverlening] is gestart met intensieve begeleiding van vier uur per dag van het gezin. Er is eerst gericht op stabilisatie en structuur in het gezin. Uit de eerdere gezinsopname is gebleken dat de moeder problemen ondervindt met het huishouden en de dagelijkse structuur met de kinderen, dat er zorgen zijn over haar opvoedvaardigheden en dat zij praktische ondersteuning nodig heeft bij regelzaken. Het huis is inmiddels opgeruimd. Er is ook een WLZ-aanvraag gedaan voor huishoudelijke ondersteuning. Er is ingezet op het verdiepen van de opvoedvaardigheden van de moeder, het vergroten van de zelfstandigheid van de kinderen en het verstevigen van routines. De moeder accepteert de begeleiding van [hulpverlening] en toont inzet voor de leerdoelen. De moeder is bij [zorgverlening] aangemeld voor begeleid wonen. Zij staat hier ook achter. Concluderend stelt de GI dat de moeder een goede vooruitgang heeft laten zien. Ze lijkt ook rustiger en meer overzicht te hebben. Er is echter nog veel werk aan de winkel. Er is intensieve begeleiding nodig, zodat de kinderen zich weer kunnen gaan ontwikkelen, naar school gaan en een stabiele thuissituatie hebben. Regievoering vanuit de GI is nog noodzakelijk. [minderjarige 2] heeft zelfbepalend gedrag laten zien, waarbij ze ook fysiek gedrag kon vertonen. De verbeterde structuur in het gezin is helpend voor haar. Ook vanuit school komen er signalen dat het beter gaat met [minderjarige 2] . De moeder heeft PMT voor [minderjarige 2] voorgesteld. [minderjarige 2] is daar inmiddels voor aangemeld. De GI kan zich voor [minderjarige 2] erin vinden om de ondertoezichtstelling uit te spreken voor zes maanden en de overige zes maanden aan te houden om te bezien of ten aanzien van haar de moeder de hulpverlening in het vrijwillig kader kan krijgen. Er zijn echter nog wel grote zorgen over [minderjarige 1] . Het lukt haar op dit moment niet om naar school te gaan. Er wordt gezocht naar een passende dagbesteding. Ze heeft inmiddels een eigen begeleider vanuit [hulpverlening] . Ze krijgt hier steeds meer een vertrouwensband mee. [minderjarige 1] moet nog leren haar ervaringen, gevoelens en gedachten te uiten en er wordt ingezet op een goed dag-nachtritme en het vergroten van haar zelfstandigheid. Ten aanzien van [minderjarige 1] is een langere duur van de ondertoezichtstelling nodig. Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat [minderjarige 1] langdurige zorg en begeleiding nodig zal hebben en anderzijds met de medewerking van [minderjarige 1] daarbij. 4.2. De moeder heeft aangegeven dat ze blij is met de hulpverlening. Ze heeft ook meer regie gekregen. Zo heeft zij PMT voorgesteld voor [minderjarige 2] . Ze heeft ook zelf aangegeven naar begeleid wonen te willen gaan. De wachtlijst daarvoor is anderhalf tot twee jaar. Ook is nog de vraag op basis waarvan dit vergoed gaat worden, de WLZ of op de Jeugdwet. De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat ten aanzien van [minderjarige 2] wordt gevraagd om de verlenging van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden, onder aanhouding van het resterende verzoek. De moeder werkt mee met de hulpverlening en het gaat al beter met [minderjarige 2] . Er zal in de komende tijd PMT worden ingezet. Daarna kan gekeken worden of de hulpverlening ten aanzien van [minderjarige 2] in het vrijwillig kader verder kan. Voor [minderjarige 1] is verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar nog nodig. Zij is pas net begonnen met de begeleiding. De moeder geeft aan dat [minderjarige 1] door haar problematiek kijkt hoe ver ze over de grens kan gaan. Zij moet daar nog mee leren omgaan. De moeder is het ermee eens dat voor [minderjarige 1] een langere ondertoezichtstelling nodig is. Zij heeft langer hulp nodig. Het is nodig dat er een stok achter de deur middels de ondertoezichtstelling is, omdat [minderjarige 1] anders over haar heen loopt. 5De beoordeling 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.