RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-102282-25 vonnis van de meervoudige kamer van 5 september 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ( [land] ) wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. H.C.S. van Viegen, advocaat te Amsterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2025, waarbij de officier van justitie mr. R.M.A. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol;feit 2: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. 3De voorvragen De geldigheid van de dagvaarding Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat deze niet op een geldige wijze is uitgereikt. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat aan verdachte een vertaling van de dagvaarding is verstrekt conform artikel 260, vijfde lid Sv. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding geldig is nu het dossier een Roemeense vertaling van de dagvaarding bevat. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat in het dossier een Roemeense vertaling van de dagvaarding zit die aan verdachte is verstrekt. De dagvaarding is dus juist betekend en geldig. De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit het bloedonderzoek – dat volgens de officier van justitie met de juiste waarborgen heeft plaatsgevonden – volgt dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol, te weten 1,84 milligram alcohol per milliliter bloed. Ook het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte, naast dat hij onder invloed was van alcohol, harder heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was. Ook heeft verdachte onvoldoende zijn snelheid verminderd bij het naderen van de bocht waardoor verdachte zijn auto niet onder controle heeft kunnen houden en tegen een boom aan is gereden. Door dit ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dit levert aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Het bloedonderzoek is onrechtmatig uitgevoerd, waardoor het resultaat van dit bloedonderzoek niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Er kan daarom niet worden bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van feit 1. Nu uit het dossier ook niet blijkt dat verdachte harder heeft gereden dan 80 kilometer per uur, kan ook niet worden bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden in de zin van artikel 6 WVW (feit 2 primair). Tot slot kan niet worden bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat concreet gevaar op de weg werd of kon worden veroorzaakt (feit 2 subsidiair). 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Over het verweer van de raadsman dat het bloedonderzoek onrechtmatig is uitgevoerd overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan niet vaststellen of verdachte wel of geen toestemming heeft gegeven voor het bloedonderzoek. Dit levert schending van een voorschrift op. Deze schending ziet echter niet op het bloedonderzoek als zodanig, maar op de procedure strekkende tot dat onderzoek. Er is dan ook geen sprake van schending van een strikte waarborg. Deze schending levert wel een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank volstaat echter met de enkele constatering dat een vormverzuim is begaan en verbindt hieraan geen verdere gevolgen. Zij gebruikt dus het resultaat van het bloedonderzoek voor het bewijs in deze zaak. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van 1.84 milligram alcohol per milliliter bloed. Feit 2 Feiten en omstandigheden Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 10 oktober 2024 rond 23:00 uur een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de Almweg (N322) te Giessen. Bij dit ongeval was verdachte betrokken die als bestuurder in een personenauto reed, met [slachtoffer] als bijrijder. Op deze weg geldt een maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Het ongeval vond plaats in een bocht naar links, gezien vanuit de rijrichting van verdachte. De personenauto van verdachte is kort voor de bocht in de berm terechtgekomen, waarna deze met de rechterzijde tegen een boom is gebotst. Gelet op wat de rechtbank hiervoor bij feit 1 heeft overwogen, stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol. Verder stelt zij vast dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was. Uit het forensisch onderzoek blijkt namelijk dat, gelet op de eindpositie en de deformatieschade van de personenauto die is ontstaan door de botsing, de botssnelheid hoger heeft gelegen dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De conclusie dat verdachte harder heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was, wordt ook ondersteund door de verklaring van getuige Hasselman. Hasselman heeft verklaard dat hij kort voor het ongeval werd ingehaald door verdachte met een vlotte snelheid, in ieder geval harder dan de toegestane snelheid, en dat hij een piepend geluid hoorde toen de personenauto van verdachte remde. Schuld in de zin van artikel 6 WVW Concluderend volgt uit het voorgaande dat verdachte met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was heeft gereden en zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd bij het naderen van een bocht, terwijl hij onder invloed was van te veel alcohol. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarmee heeft verdachte schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. Letsel Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, bestaande uit verwondingen aan de hals en borstkas, meerdere gebroken ribben, twee klaplongen, een longkneuzing en een nier- en leverlaceratie. De rechtbank kwalificeert dit letsel als zwaar lichamelijk letsel. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1 primair op 10 oktober 2024 te Giessen, gemeente Altena, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,84 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn; Feit 2 primair op 10 oktober 2024 te Giessen, gemeente Altena als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de N322 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden en met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en - onvoldoende zijn snelheid te minderen bij het naderen van een bocht,waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een verwonding aan de hals en thorax en enig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.