RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 03-175494-21 vonnis van de rechtbank d.d. 10 september 2025 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963 wonende te [woonadres] raadsman mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Eindhoven 1De procedure Betrokkene is op 10 september 2025 door de meervoudige kamer veroordeeld voor verduistering en valsheid in geschrift tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie, mr. J.E.L. van der Steen, heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet kan zeggen wat nog precies het voordeel voor betrokkene is geweest, nu door betrokkene al heel veel is terugbetaald. De officier van justitie heeft gesteld dat de door haar gevorderde ontneming daardoor geen redelijk doel meer dient en dat de vordering daarom kan worden afgewezen. 3Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de ontnemingsvordering een reparatoir karakter moet hebben en dat daaraan door de curator in het faillissement al uitvoering is gegeven. Dit heeft geleid tot een substantiële uitkering van bijna de helft van de schade aan de slachtoffers en met die totale vergoeding is het ontnemingsbedrag in ruime mate overschreden. De verdediging heeft daarom verzocht om de vordering af te wijzen. 4Het oordeel van de rechtbank Betrokkene heeft het faillissement van de vennootschap onder firma aangevraagd om de benadeelden zo veel mogelijk en zo gelijk mogelijk verdeeld schadeloos te stellen. In het faillissement heeft uiteindelijk een uitkering aan de concurrente schuldeisers plaatsgevonden van ruim 47%. Daarmee is een substantieel deel van de ontstane schade vergoed Daarnaast zijn in het faillissement kosten voor de afwikkeling gemaakt, waaronder het salaris voor de curator. Het bedrag dat met de uitkering en de faillissementskosten gemoeid was, ligt hoger dan het door het Openbaar Ministerie gevorderde ontnemingsbedrag. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen, of er per saldo sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en zo ja, hoe groot dit voordeel is. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen. 5De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 15 januari 2025, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.L.J. Martens, voorzitter, mr. T.M. Brouwer en mr. D.S.G. Froger, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier F.J.M. Nouws en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.