RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/7906 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 november 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.963. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 1.179 aan belastingrente in rekening gebracht, een bedrag van € 2.793 aan revisierente in rekening gebracht (hierna ook: de rentebeschikkingen) en een verzuimboete opgelegd van € 385 (de verzuimboete). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 151.533. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboete is vernietigd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2025 op zitting behandeld. Belanghebbende heeft met behulp van een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Namens de inspecteur hebben deelgenomen mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2020 en de daarbij opgelegde rentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB 2020 en de daarbij opgelegde rentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende woonde in het jaar 2020 in [plaats] waar hij nu nog steeds woonachtig is. 4.1. Belanghebbende heeft in de periode 1 september 2011 tot 1 juli 2010 zijn werkzaamheden uit hoofde van zijn Nederlandse dienstbetrekking uitgevoerd in [plaats] (de periode van uitzending). De door belanghebbende opgebouwde AOW is gekort in verband met voornoemd verblijf in het buitenland. 4.2. In het jaar 2020 heeft belanghebbende de volgende inkomsten uit Nederland ontvangen: Inhoudingsplichtige Soort Bruto Ingehouden loonheffing Nationale Nederlanden (NN) Ouderdomspensioen € 175.090 € 42.548 NN Afkoopsom lijfrente € 13.968 € 7.264 Sociale Verzekeringsbank (SVB) AOW-uitkering € 18.483 € 1.793 ING Bank Personeel Overlijdenspensioen/lijfrente € 2.949 € 567 ING Bank Personeel Eenmalige nabetaling loon € 10.843 € 0 Totaal € 221.333 € 52.172 4.3. Een deel van het ouderdomspensioen van NN komt jaarlijks toe aan de ex-partner van belanghebbende (hierna: de pensioenverrekening). In het jaar 2020 bedraagt het bedrag dat op basis van de pensioenverrekening aan de ex-echtgenote toekomt € 5.421. 4.4. Belanghebbende voldoet in het jaar 2020 niet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). 4.5. In procedures over de aan belanghebbende opgelegde verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 hebben de rechtbank en het hof geoordeeld dat de bedragen die op basis van de pensioenverrekening aan de ex-echtgenote toekomen, in beginsel tot het belastbaar inkomen van belanghebbende behoren omdat er geen sprake is van een zelfstandig vermogensrecht van de ex-echtgenote. 4.6. Belanghebbende kon in het belastingjaar 2017 het bedrag van de pensioenverrekening wel in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning op basis van door de inspecteur opgewekt vertrouwen in de bezwaarprocedure over de aanslag IB/PVV 2014. Dit vertrouwen is door de inspecteur opgezegd op 26 augustus 2020. 4.7. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB 2020. Hij heeft geen aangifte IB 2020 ingediend. 4.8. Het in de aanslag IB 2020 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.963 is als volgt opgebouwd: 70% van de ouderdomspensioenuitkering van NN € 122.563 Afkoopsom lijfrente NN € 13.968 AOW-uitkering van de SVB € 18.483 Overlijdenspensioen/lijfrente ING € 2.949 Totaal € 157.963 4.9. Bij uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd tot € 151.533. De overlijdenspensioenuitkering van de ING is voor 70% tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend omdat de inspecteur van oordeel is dat Nederland slechts over 70% daarvan heffingsrecht heeft omdat 30% toerekenbaar is aan de periode dat belanghebbende in [plaats] werkzaam was. De AOW-uitkering is op basis van opgewekt vertrouwen maar voor 70% in de heffing betrokken. De beschikking belastingrente is overeenkomstig de verlaging van het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd en de verzuimboete is vernietigd. Motivering Vooraf: afbakening van het geschil 4.10. De rechtbank zal in deze procedure oordelen of de AOW-uitkering die belanghebbende in het jaar 2020 heeft ontvangen, op grond wet- en regelgeving slechts voor 70% in de aanslag IB 2020 mag worden betrokken. Daarnaast oordeelt de rechtbank over de vraag of belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op een aftrek vanwege de pensioenverrekening (zie 4.3) met zijn ex-echtgenote. 4.11. De rechtbank zal in deze uitspraak niet uitgebreid ingaan op de vraag of belanghebbende op grond van de Wet IB 2001 recht heeft op een aftrek wegens het aan de ex-echtgenote op basis van de pensioenverrekening uitbetaalde bedrag, omdat de rechtbank het oordeel van de rechtbank en het hof in de procedure over het belastingjaar 2017 daarin volgt (zie 4.5). Ook zal de rechtbank niet ingaan op het opzeggen van het vertrouwen door de inspecteur met betrekking tot het voor 70% in aanmerking nemen van de AOW-uitkering bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Het opzeggen van het vertrouwen heeft namelijk geen betrekking op het onderhavige belastingjaar. Ten slotte zal de rechtbank geen oordeel geven over de bij de aanslag IB 2020 opgelegde verzuimboete, omdat deze bij uitspraak op bezwaar is vernietigd (zie 4.9). De door belanghebbende in beroep tegen de verzuimboete aangevoerde gronden, kunnen hem daardoor niet een betere procespositie brengen. Belastingheffing over de AOW-uitkering 4.12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de AOW-uitkering slechts voor 70% in de belastingheffing mag worden betrokken. Hij verwijst daarvoor naar een brief van de inspecteur van 25 juli 2010 waarin ten aanzien van het ouderdomspensioen van NN het standpunt is ingenomen dat slechts 70% belastbaar is in Nederland omdat Nederland op grond van artikel 7.2., tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 slechts het heffingsrecht heeft over dat deel dat is opgebouwd tijdens zijn Nederlandse diensttijd. De 30% die belanghebbende heeft opgebouwd in de tijd dat hij in [plaats] werkzaam was (4.1) wordt op grond van voornoemde brief niet in Nederland belast. Volgens belanghebbende heeft het voorgaande overeenkomstig te gelden voor de AOW-uitkering omdat de AOW-uitkering gelijk kan worden gesteld met de door hem ontvangen pensioenuitkeringen van NN en ING (zie 4.8 en 4.9). 4.13. De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende ontvangen AOW-uitkering zowel op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en [plaats] (het belastingverdrag) als op basis van de Wet IB 2001 volledig tot het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB 2020 behoort. In artikel 17, tweede lid van het belastingverdrag is expliciet bepaald dat betalingen uit hoofde van socialezekerheidswetgeving van een verdragsluitende partij aan een inwoner van een andere verdragsluitende partij in eerste genoemde verdragsluitende partij – in dit geval in Nederland – mogen worden belast. In de Wet IB 2001 wordt in artikel 7.2, tweede lid een onderscheid gemaakt tussen (onder meer) uitkeringen die voortkomen uit pensioenregelingen in sub d en uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijk aard of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon in sub e. Voor de uitkeringen die voortkomen uit pensioenregelingen (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.