RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaak/rekestnr: C/02/425305 / FA RK 24-3599 datum uitspraak: 25 maart 2025 op het verzoek van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad, locatie Middelburg, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen [minderjarige] . Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, voorheen wonende te [plaats 1] , thans verblijvende op een onbekende woon- en/of verblijfplaats, [grootouder 1] en [grootouder 2], hierna te noemen de grootouders moederszijde (mz), wonende te [plaats 2] (Zweden), [de stiefvader] , hierna te noemen de stiefvader, wonende te [plaats 3] . Als informant zijn in de procedure betrokken: STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te Middelburg, [mevrouw] , hierna te noemen [mevrouw] , wonende te [plaats 4] . 1Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 19 juli 2024 ingekomen verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging, met bijlagen; - de oproep van de moeder in de Staatscourant van 15 januari 2025; - het van de Raad op 25 februari 2025 ingekomen gewijzigd verzoekschrift met bijlagen. 1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 maart
- Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordigster van de Raad, de moeder en de grootouders moederszijde. Tevens waren als informant aanwezig een vertegenwoordiger van de GI en [mevrouw] . De stiefvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 1.3 [minderjarige] is in de gelegenheid zijn mening kenbaar te maken. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] geen gebruik heeft gemaakt van de uitnodiging om in gesprek te gaan met de rechter, ondanks dat hij eerder heeft aangegeven dit wel te willen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een misverstand, nu [minderjarige] kort voor de mondelinge behandeling op 25 maart 2025 al een gesprek heeft gehad met een kinderrechter van deze rechtbank in het kader van het verzoek van de GI tot wijziging van zijn verblijf. Volgens de grootouders was [minderjarige] in de veronderstelling dat dit gesprek ook bedoeld was ten aanzien van het onderhavige verzoek van de Raad en heeft hij daarom geen gevolg gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek op 24 maart
- Met instemming van de aanwezige belanghebbenden ziet de rechtbank ervan af om [minderjarige] nogmaals in de gelegenheid te stellen om zijn mening kenbaar te maken. 2De feiten 2.1 Uit de affectieve relatie van de moeder en de heer [naam 1] is geboren het thans nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1]
- 2.2 De heer [naam 1] heeft [minderjarige] erkend. 2.3 Bij beschikking van de rechtbank d.d. 11 maart 2015 is het gezamenlijk gezag van de ouders gewijzigd en is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . 2.4 Bij beschikking van 23 juni 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Intervence, rechtsvoorganger van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 23 juni
- In die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders moederszijde, verleend tot 23 september
- 2.5 Bij beschikking van 13 juni 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefvader verleend met ingang van 13 juni 2022 en tot 23 juni
- 2.6 Bij beschikking van 10 juni 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 23 juni
- In die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de stiefvader, verlengd tot 23 juni
- 2.7 Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft de kinderrechter de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] , te weten van het pleeggezin van de stiefvader naar het tijdelijke pleeggezin van mw. [mevrouw] . 3Het verzoek 3.1 De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over de [minderjarige] te beëindigen. Daarbij wordt tevens verzocht de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1 De Raad vindt beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] . De moeder is er niet in geslaagd om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. Als gevolg van haar persoonlijke problematiek, waaronder verslavingsproblematiek en het ontbreken van een vaste woon-/verblijfplaats, is de moeder onvoorspelbaar en nauwelijks bereikbaar, niet alleen voor [minderjarige] , maar ook voor de grootouders, de Raad en de GI. Slechts met veel vertraging lukt het af en toe om via de grootouders de moeder te bereiken voor het geven van toestemming voor zaken betreffende [minderjarige] . Het is niet gelukt om binnen het kader van de ondertoezichtstelling met de moeder te werken aan de gestelde doelen om tot verbetering te komen. Het is niet de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. De Raad heeft zijn eerdere advies om de stiefvader te belasten met de voogdij over [minderjarige] herzien, nu [minderjarige] heeft aangegeven zich niet meer fijn te voelen in het gezin van de stiefvader. [minderjarige] heeft de wens uitgesproken bij de grootouders te willen wonen en om met hen mee te verhuizen naar Zweden. De grootouders hebben in het verleden al eerder voor [minderjarige] gezorgd en zij zijn goed in staat om aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft. Nu het perspectief van [minderjarige] bij de grootouders in Zweden lijkt te liggen, adviseert de Raad om hen te benoemen tot voogd over [minderjarige] . 4.2 De moeder is het eens met het verzoek van de Raad. Het is beter voor [minderjarige] dat haar gezag wordt beëindigd en dat de grootouders worden belast met de voogdij over [minderjarige] . De moeder heeft een goed contact met haar ouders en is hen en [mevrouw] dankbaar dat zij zo goed voor [minderjarige] zorgen. De moeder is onlangs door de politie uit haar woning van Housing First gezet en verblijft voor nu tijdelijk en in afwachting van een eigen kamer bij een kennis. Het klopt dat de moeder soms lastig te bereiken is. Eerder is voorgekomen dat haar telefoon kapot of gestolen was. 4.3 De grootouders zijn bereid om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. [minderjarige] heeft eerder bij hen gewoond en ook dit keer willen zij er voor hem zijn, nu hij heeft aangegeven niet meer bij de stiefvader te willen wonen. De grootouders zijn bereid om zo lang als nodig voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] is in november 2024 weer bij hen komen wonen. Op dat moment was de verhuizing van de grootouders naar Zweden al in gang gezet. In afwachting van een beslissing van de rechtbank verblijft [minderjarige] sinds februari 2025 tijdelijk bij [mevrouw] . Het is de bedoeling dat [minderjarige] zich zo snel als mogelijk voegt bij de grootouders in Zweden. [minderjarige] kijkt erg uit naar een nieuwe start in Zweden. De grootouders hebben al zicht op een school voor [minderjarige] . Zodra zeker is dat [minderjarige] naar Zweden mag komen, zullen zij hem hier inschrijven en kan hij na de meivakantie starten. Het is de bedoeling dat [minderjarige] de eerste periode voltijds les krijgt in de Zweedse taal, met als doel dat hij na de zomervakantie kan doorstromen naar het volgende schooljaar. Nu de stiefvader het contact met [minderjarige] en de grootouders heeft verbroken, is afgesproken dat [minderjarige] vanuit Zweden zijn halfzusjes mag bellen als zij bij de grootouders vaderszijde zijn. De grootouders hebben een goed contact met de moeder, ondanks dat zij de moeder niet altijd te pakken krijgen. Het staat haar vrij om op bezoek te komen in Zweden. Ook zijn de grootouders en [minderjarige] van plan om in de vakanties terug naar Nederland te komen. 4.4 De GI staat achter het verzoek en het gewijzigde advies van de Raad. De GI zal de informatie over [minderjarige] zoals die bekend is bij de GI neerleggen bij de Centrale Autoriteit in Zweden voor het geval [minderjarige] in de toekomst behoefte heeft aan hulp of extra ondersteuning. De informatie over zijn achtergrond kan daarbij helpend zijn. 4.5 [mevrouw] heeft verklaard dat [minderjarige] sinds de tweede week van februari 2025 bij haar verblijft. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij ervaart inmiddels meer rust. [minderjarige] kijkt uit naar zijn verhuizing naar Zweden. Vanaf begin maart 2025 tot aanvang van de meivakantie heeft [minderjarige] nog een inkijkstage. Daarna zou hij de overstap naar de grootouders kunnen maken. Vanwege de stages is het niet mogelijk voor [minderjarige] om voor de meivakantie afscheid te nemen van zijn klas. De school heeft daarom na de meivakantie een digitaal afscheidsmoment voor [minderjarige] gepland. [mevrouw] heeft een goed contact met de ouders van stiefvader. Via hen wordt het contact tussen [minderjarige] en zijn halfzusjes geborgd. 5De beoordeling Gezag 5.1 Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.2 Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor Rechten van de Mens (hierna EHRM) op basis van artikel 8 EVRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging een andere dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW. Bij artikel 1:266 BW is blijkens de memorie van toelichting ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Voorts vereist artikel 8 van het EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. (aldus de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 015, nr. 3, blz. 34). 5.3 Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM 6 oktober 2015 N.P./Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66). In latere jurisprudentie van het EHRM (waaronder EHRM 30 november 2017, Strand Lobben/Noorwegen nr. 37283/13) wordt deze lijn bevestigd. 5.4 Het is de rechtbank niet gebleken dat de moeder het gezag over [minderjarige] misbruikt. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als de moeder haar gezag behoudt. 5.5 De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen. [minderjarige] is een kwetsbare jongen met kenmerken van autisme, waardoor hij concentratieproblemen ondervindt en extra behoefte heeft aan duidelijkheid en aansturing. Daarnaast heeft [minderjarige] in de afgelopen jaren veel meegemaakt en is hij meermaals gewisseld van woonplek. Na een opname van de moeder in de Veilige Opvang in 2020 is [minderjarige] - met uitzondering van een periode in 2021 - bij de stiefvader komen te wonen, omdat de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek niet in staat is om adequaat voor [minderjarige] te zorgen en zijn biologische vader, die geen gezag over [minderjarige] meer heeft, geen rol of enige betrokkenheid in zijn leven heeft. De moeder kent een belast verleden en verslavingsproblematiek, waardoor zij onvoorspelbaar en onbereikbaar is voor [minderjarige] en de grootouders, maar ook voor de Raad en de betrokken hulpverlening. Er is sinds 2021 een ondertoezichtstelling van kracht vanwege de strijd tussen de moeder en de stiefvader. Vanuit dit kader is het de GI in de afgelopen jaren niet gelukt om in contact te komen met de moeder om zodoende te werken aan het verbeteren van de situatie en het behalen van de gestelde doelen. Slechts met veel vertraging is het af en toe gelukt om via de grootouders de moeder te bereiken voor het geven van toestemming voor zaken betreffende [minderjarige] . Hoewel er sprake leek te zijn van een prille ontwikkeling bij de moeder, doordat de ondersteuning vanuit Housing First van de grond leek te komen, is de moeder inmiddels door de politie uit haar woning gezet en ontbreekt het haar opnieuw aan enige stabiliteit in haar leven. [minderjarige] kan er niet van op aan dat zijn moeder zich aan afspraken houdt en dat hij een frequent contact met haar heeft. [minderjarige] is vaak teleurgesteld geraakt als zij niet kwam opdagen of als zij niets van zich liet horen. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de moeder al lange tijd geen invulling geeft aan haar gezag en dat deze situatie, die veel onrust, teleurstelling en onzekerheid meebrengt voor [minderjarige] , zijn ontwikkeling ernstig schaadt. 5.6 Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank met de Raad onvoldoende mogelijkheden bij de moeder om de opvoeding van [minderjarige] in voldoende mate vorm te geven. Er is voldaan aan de gronden voor een gezagsbeëindiging. Ondanks dat de moeder geen verweer voert tegen het beëindigen van haar gezag, ziet de rechtbank door de onvoorspelbare en onbereikbare houding van de moeder geen mogelijkheid om de situatie vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] beëindigd moet worden. De rechtbank zal daarom het onweersproken verzoek van de Raad toewijzen. Voogdij 5.7 Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW een voogd over hem te benoemen. De Raad adviseert – na wijziging van de omstandigheden en het eerder gegeven advies – de grootouders moederszijde met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Het perspectief van [minderjarige] leek namelijk bij de stiefvader te liggen totdat [minderjarige] in november 2024 heeft uitgesproken dat hij zich hier niet fijn voelt en niet langer in deze situatie wil opgroeien. Op basis van een time-out is [minderjarige] vervolgens teruggeplaatst bij de grootouders moederszijde. [minderjarige] wil graag bij zijn grootouders wonen en met hen meeverhuizen naar Zweden. De grootouders zijn bereid de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen als ook de voogdij en zijn al druk bezig om zijn komst naar Zweden voor te bereiden, zodat hij na zijn verhuizing zo spoedig mogelijk kan starten op school. Met de Raad stelt de rechtbank vast dat door de voornoemde ontwikkelingen het perspectief van [minderjarige] is gewijzigd naar de grootouders. Zij hebben in het verleden al eerder voor [minderjarige] gezorgd en toen is reeds vastgesteld dat zij goed in staat zijn om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Nu de grootouders de dagelijkse zorg voor [minderjarige] gaan dragen, acht de rechtbank het ook in zijn belang dat zij voortaan de noodzakelijke beslissingen over hem kunnen nemen. De rechtbank zal daarom overeenkomstig het gewijzigde advies van de Raad de grootouders moederszijde met ingang van heden benoemen tot voogd van [minderjarige] . Gelet op artikel 1:276 lid 1 BW zal de rechtbank de moeder - voor zover zij hier uitvoering aan heeft gegeven - veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de grootouders moederszijde over het gevoerde bewind ten aanzien van [minderjarige] . Uitvoerbaarverklaring bij voorraad 5.8 Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep en mede gelet op de aanstaande verhuizing van [minderjarige] naar Zweden meteen uitgevoerd kan worden. Gezagsregister 5.9 Het is volgens de wet nodig dat iedereen kan zien hoe het gezag over [minderjarige] is geregeld. Daarom zal de rechtbank in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters, de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie. 6De beslissing De rechtbank beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1983, over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010; benoemt de grootouders moederszijde, te weten [grootouder 1] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 1960 en [grootouder 2] , geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedag 4] 1956, tot voogd(es) over [minderjarige] ; veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de grootouders moederzijde over het gevoerde bewind ten aanzien van [minderjarige] ; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025 door mr. Hendriks, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. De Beer en mr. Roose, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van W. Bakker-Maljers, als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 april
- Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.