← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6518

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/435506 / FA RK 24-2545 Datum uitspraak: 4 juli 2025 beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. R.A. Remport Urban in Maastricht, en [de man] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de man.

  1. Het procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 19 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen. 1.
  3. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/435626 / FA RK 25-
  4. In de hoofdzaak ligt een verzoek omtrent de vervangende toestemming en een verzoek tot wijziging van het gezag ter beoordeling voor. 1.
  5. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 juni
  6. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. 1.
  7. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek betreffende [minderjarige 1] te adviseren. 2De feiten 2.
  8. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren: - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007; - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2]
  9. 2.
  10. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag [minderjarige 1] . 2.
  11. [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 3Het verzoek 3.
  12. De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige zoon van partijen [minderjarige 1] in de periode van 5 tot 16 augustus 2025 naar Portugal te reizen. 4De beoordeling 4.
  13. De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] heeft sinds de zomer van 2024 het contact met zijn vader verbroken. Sindsdien wil de man niet meer met de vrouw communiceren. De vrouw heeft de man verzocht in te stemmen met de vakantie naar Portugal met [minderjarige 1] van 5 augustus 2025 tot 16 augustus 2025, maar de man reageert hier niet op. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar verzoek aangezien de vakantie al nadert. Ontvankelijkheid 4.
  14. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 4.
  15. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vervangende toestemming voor de vakantie samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling 4.
  16. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man alsnog zijn toestemming verleend voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] naar Portugal in de periode van 5 augustus 2025 tot 16 augustus
  17. De man heeft de benodigde toestemmingsformulieren ondertekend en, tezamen met een kopie van zijn paspoort, aan de vrouw overhandigd. Gelet op het feit dat de man alsnog zijn toestemming voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] heeft verleend, heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank 5.
  18. wijst het verzoek van de vrouw af. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, en, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juli
  19. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.