beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/429565 / FA RK 24-5751 datum uitspraak: 11 juli 2025 beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en omgang in de zaak van [de man] , wonende in [plaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. L. Verheuvel in Middelburg, en [de vrouw] , wonende in [plaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom. over de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . mr. [de bijzondere curator], advocaat in [plaats 3], in zijn functie als bijzondere curator over [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1Het procesverloop 1.
- In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 3 december 2024 ontvangen verzoek met bijlagen; - de e-mail van gemeente Bergen op Zoom van 28 maart 2025; - het e-mailbericht van mr. Verheuvel van 5 juni 2025, met bijlagen; - e-mail van de gemeente Bergen op Zoom van 6 juni 2025 met bijlagen; - de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025; - het advies van de bijzondere curator [de bijzondere curator] van 6 juni 2025, met bijlagen. 1.
- De verzoeken zijn mondeling behandeld op 10 juni
- Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten, en de bijzondere curator. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit hun relatie is het volgende thans nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . 2.
- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. 2.
- Bij vonnis in kort geding van 22 oktober 2024 zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod en is een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vastgelegd. 2.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2025 is een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald die geldt totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, en die inhoudt dat de man en de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar twee keer per week begeleid door de Gezinsmanager gedurende 4 weken, waarna de Gezinsmanager na deze 8 begeleide omgangsmomenten met partijen de omgang zal evalueren en zal worden besproken of de omgang onbegeleid kan worden voortgezet. 2.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025 is [de bijzondere curator] benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . 2.
- De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Belgische nationaliteit. 3De verzoeken en de standpunten 3.1 De man verzoekt: - aan hem vervangende toestemming te verlenen om over te gaan tot erkenning van zijn dochter, de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] ; - voor zover dat noodzakelijk wordt geacht in het kader van zijn verzoek tot erkenning voor voornoemde minderjarige een bijzondere curator te benoemen die haar belangen in en buiten rechte zal vertegenwoordigen; - te bepalen dat de man samen met de vrouw met het gezag over voornoemde minderjarige wordt belast. - tussen de man en voornoemde minderjarige een omgangs-/zorgregeling vast te stellen inhoudende dat hij omgang/contact met haar heeft: - op donderdag voor de duur van 8.00 tot 17.00 uur en op zaterdag voor de duur van 8.00 tot 17.00 uur; - vanaf tweejarige leeftijd van [minderjarige] gedurende elke even of elke oneven week, voor de duur van de gehele week, met ingang van maandag 9.00 uur tot en met zondag 17.00 uur; - althans een zorg- omgangsregeling zoals de rechtbank in goede justitie juist acht. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk af te wijzen. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4De standpunten 4.
- Door en namens de man wordt in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er een lange periode geen contact is geweest tussen de man en [minderjarige] nadat de omgang in november 2024 abrupt is gestopt. Er heeft een DNA-onderzoek plaatsgevonden en daaruit volgt dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. De man wil [minderjarige] erkennen maar de vrouw gaf daar eerder haar toestemming niet voor. Uit het verslag van de bijzondere curator leidt de man af dat de vrouw geen bezwaar meer heeft tegen erkenning van [minderjarige] door de man. De man is bereid om samen met de vrouw de erkenning van [minderjarige] bij de gemeente te regelen en daarbij dan aan te geven dat de vrouw alleen met het gezag over [minderjarige] belast blijft. Het lijkt de man voor [minderjarige] beter als zij later ziet dat haar ouders de erkenning over haar in onderling overleg hebben geregeld. Ook wil de man met het gezag over [minderjarige] worden belast. Gezamenlijk gezag tussen de ouders is het wettelijk uitgangspunt en er zijn in dit geval geen redenen waarom hij niet mede met het gezag over [minderjarige] kan worden belast. De vrouw geeft ook geen toestemming voor de aanvraag van het gezamenlijk gezag. De vrouw maakt zich zorgen over het alcohol- en drugsgebruik van de man, maar de man is niet verslaafd. Als bewijs van deze stelling legt de man als productie 9 de resultaten van een bloedtest over waaruit zulks blijkt. De vraag is hoe het verzoek van de man tot het belasten met het gezag gezien moet worden in relatie tot het hulpverleningstraject dat partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod volgen. Nu de omgang tussen de man en [minderjarige] goed verloopt kan het verzoek van de man tot het belasten van hem met het gezag over [minderjarige] , worden toegewezen. De man kan zich ook voorstellen dat de rechtbank de beslissing op dit verzoek nog aanhoudt. De man acht daarvoor een termijn van 6 maanden redelijk. Het is aan partijen om met behulp van de hulpverlening verder te werken aan het contactherstel en de verbetering van hun onderlinge verstandhouding en communicatie. De man staat open voor alle hulpverlening die nodig is om de verstandhouding tussen hem en de vrouw te verbeteren. Met betrekking tot de omgang wordt door en namens de man aangevoerd dat er inmiddels al meer dan 8 begeleide omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] zijn geweest. Het is tot op heden onduidelijk waarom de omgang niet onbegeleid kan gaan plaatsvinden. Uit de bezoekverslagen die de man heeft overgelegd blijkt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] goed verlopen. Er wordt vanuit [hulpverlening] aangegeven dat er wat spanning is bij de overdracht van [minderjarige] , maar dat is logisch gelet op de verstandhouding tussen partijen. De man ziet [minderjarige] op de woensdag en de donderdag voor de duur van een uur. Deze frequentie is niet ideaal omdat er tussen de omgang op donderdag en de week erop op woensdag veel tijd zit en [minderjarige] altijd weer flink moet wennen aan de man. Op 15 juli staat de evaluatie van de omgang tussen de man en [minderjarige] gepland en dan zal mogelijk worden gesproken over een uitbreiding van de omgang. De man vindt echter dat dit niet moet worden afgewacht nu het al zo lang duurt voordat hij [minderjarige] meer en onbegeleid kan zien en hij verzoekt de rechtbank dan ook een beslissing te nemen op dit punt. 4.
- Door en namens de vrouw wordt tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat ze geen verweer (meer) voert tegen het verzoek van de man om vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] te verlenen. De vrouw ziet het niet zitten om de erkenning samen met de man bij de gemeente te regelen. Partijen bevinden zich net aan de start van het traject bij het Uniform Hulpaanbod en er vindt nog geen rechtstreeks contact tussen partijen plaats, maar alleen onder begeleiding. Het samen regelen van de erkenning is op dit moment dan ook te vroeg. Met betrekking tot het verzoek van de man omtrent het gezag verklaart de vrouw dat dat op dit moment te vroeg is. Er is geen sprake van communicatie tussen partijen. Zowel de man als de vrouw volgt ieder nog een individueel hulpverleningstraject en er is nog geen sprake van een basisvertrouwen tussen hen. De vrouw verzoekt de rechtbank de beslissing op het verzoek omtrent het gezag aan te houden zodat in de tussentijd bekeken kan worden hoe het hulpverleningstraject tussen partijen loopt. Niet moet worden vooruitgelopen op de situatie dat gezamenlijk gezag wellicht niet in het belang van [minderjarige] . Als het verzoek van de man omtrent het gezag nu wordt toegewezen wordt daar wellicht wel op vooruitgelopen. De vrouw vindt het belangrijk dat er wordt gewerkt aan het onderlinge vertrouwen tussen partijen. De vrouw vindt het belangrijk dat de omgang tussen de man en [minderjarige] voorlopig nog begeleid blijft. Ze verwacht wel dat er bij de evaluatie op 15 juli a.s. zal worden gesproken over uitbreiding van de omgang en zij zal daar dan ook aan meewerken. Zij vindt het echter belangrijk dat partijen de lijn die in de hulpverlening is uitgezet, blijven volgen. Er moet niet overheen gestapt worden dat de vrouw nog steeds zorgen heeft als de man omgang met [minderjarige] heeft en daar moet niet als een olifant in een porseleinen kast overheen gestapt worden. 4.
- De bijzondere curator adviseert in diens advies het verzoek van de man omtrent de vervangende toestemming toe te wijzen. Nu er geen discussie tussen partijen is dat de man de verwekker is van [minderjarige] en niet is gebleken dat door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt bij een erkenning, is de bijzondere curator, voorlopig, van mening dat het verzoek moet worden toegewezen. De bijzondere curator heeft partijen nog ter overweging meegegeven samen de erkenning van [minderjarige] bij de gemeente te regelen, nu het voor [minderjarige] later beter is als zij ziet dat haar ouders de erkenning samen hebben geregeld. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de bijzondere curator dat hij bij de gemeente heeft geïnformeerd en dat het mogelijk is dat de ouders ieder afzonderlijk en dus apart van elkaar, naar de gemeente gaan om de erkenning van [minderjarige] te regelen. Deze manier van erkennen vindt de bijzondere curator het meest in het belang van [minderjarige] . 4.
- De Raad adviseert het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] , toe te wijzen. Het mooiste zou zijn dat de ouders de erkenning samen bij de gemeente regelen maar de moeder is daar op dit moment niet toe in staat. De Raad adviseert de rechtbank dan ook aan de man vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] , zodat deze erkenning in gang kan worden gezet. De Raad adviseert de beslissing op het verzoek omtrent het gezag aan te houden. Partijen staan aan het begin van het hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod en zij hebben tijd nodig om het vertrouwen over en weer terug te kijken. Het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] is het uitgangspunt en daar moet naartoe worden gewerkt. Het is van belang dat partijen met behulp van de hulpverlening een weg gaan vinden naar elkaar en op een veilige manier leren communiceren met elkaar. Dan is gezamenlijk gezag aangewezen. Op dit moment komt het gezamenlijk gezag nog te vroeg. Met betrekking tot de omgang tussen de man en [minderjarige] verklaart de Raad dat de Raad geen bezwaren ziet tegen toewerken naar onbegeleid contact tussen de man en [minderjarige] . De Raad kan zich voorstellen dat het met de huidige frequentie en duur van de contacten voor de man best moeilijk is om een band om te bouwen met [minderjarige] . De Raad vindt dat er op geleide van de hulpverlening toegewerkt kan en moet worden naar onbegeleid contact tussen de man en [minderjarige] . 5De beoordeling Vervangende toestemming erkenning Rechtsmacht 5.
- Vanwege het feit dat de man de Belgische nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. 5.
- In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De man heeft, als verzoeker, zijn gewone verblijfplaats in Nederland en aldus is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Toepasselijk recht 5.
- In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. 5.
- De man heeft de Belgische nationaliteit. Daarom zal de rechtbank op de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, het Belgische recht toepassen. Op grond van artikel 329 bis Burgerlijk Wetboek (België) is het mogelijk om vervangend toestemming voor een erkenning bij de rechtbank te verzoeken. 5.
- In artikel 10:95, derde lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, dat ongeacht het in lid 1 toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder tot erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. Daarom zal de rechtbank op de toestemming van de moeder het Nederlands recht toepassen. 5.
- In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van 12 jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind. 5.
- Voor de man en de vrouw staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Gelet op hetgeen naar voren is gebracht in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat door de erkenning van [minderjarige] door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt. De vrouw heeft ook verklaard dat zij geen bezwaar (meer) heeft tegen de erkenning van [minderjarige] door de man, maar dat zij de erkenning niet samen met de man bij de gemeente kan regelen. 5.
- De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Gezag Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.
- De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing. 5.
- In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.
- Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat op dit moment nog geen beslissing kan worden genomen op het verzoek van de man om, naast de vrouw, met het gezag over [minderjarige] belast te worden. Hiervoor is het eerst nodig dat partijen het hulpverleningstraject dat zij binnen het Uniform Hulpaanbod zijn begonnen, voortzetten. Er is nog geen sprake van communicatie tussen partijen en ook het wederzijdse vertrouwen ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat partijen eerst aan verbetering van hun communicatie en verstandhouding moeten werken voordat de man met het gezag over [minderjarige] kan worden belast. Immers, in de situatie dat er geen overleg plaats kan vinden en het vertrouwen over en weer ontbreekt, bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] , bij belasting van de ouders met het gezamenlijk gezag, klem of verloren raakt tussen partijen als ouders. De rechtbank merkt op dat het gezamenlijk gezag wel het wettelijk uitgangspunt is. Hier dient, met behulp van de hulpverlening, dan ook wel naar te worden toegewerkt. De beslissing op het verzoek van de man omtrent het gezag zal worden aangehouden tot 13 januari 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen uiterlijk op deze datum zich schriftelijk uit te laten omtrent de stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop. Omgang Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.
- De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing. 5.
- Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 5.
- De rechtbank begrijpt de wens van de man om te komen tot onbegeleide omgang met [minderjarige] en om de omgang met [minderjarige] uit te breiden, nu hij op dit moment nog steeds twee keer per week een uur begeleide omgang met [minderjarige] heeft. De Raad heeft geadviseerd om, met behulp van de hulpverlening, toe te werken naar onbegeleide omgang en de beslissing op het verzoek van de man aan te houden. De rechtbank volgt het advies van de Raad. De rechtbank is van oordeel dat bij het toewerken naar onbegeleide omgang tussen de man en [minderjarige] de hulpverlening aan zet is en dat het op dit moment te vroeg is om een beslissing te nemen op het verzoek van de man. De hulpverlening heeft goed zicht op de interactie tussen de man en [minderjarige] en zij kunnen op een juiste wijze inschatten of en zo ja wanneer en op welke wijze de omgang tussen de man en [minderjarige] kan worden uitgebreid. De man heeft verklaard dat er op 15 juli a.s. een evaluatie plaatsvindt van de omgang tussen de man en [minderjarige] . De vrouw heeft verklaard dat als de hulpverlening aangeeft dat de omgang kan worden uitgebreid naar onbegeleid, zij daaraan mee zal werken. Het is aan partijen om in samenspraak met de hulpverlening nadere afspraken te maken over uitbreiding van de omgang. De rechtbank zal de beslissing op dit verzoek van de man dan ook aanhouden tot 13 januari 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen uiterlijk op deze datum zich schriftelijk uit te laten omtrent de stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop. Einde werkzaamheden bijzondere curator 5.
- De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 6De beslissing De rechtbank 6.
- verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ; 6.
- beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 6.
- houdt iedere verdere beslissing aan tot 13 januari 2026 PRO FORMA, in afwachting van het bericht van partijen omtrent de stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.