← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6538

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/432258 / FA RK 25-943 Datum uitspraak: 24 juni 2025 Beschikking van de rechtbank over een gezagsbeëindigende maatregel in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2007 in [geboorteplaats] , [land 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] , [land 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk, DE HEER EN MEVROUW [de pleegouders], hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI. De rechtbank merkt in deze zaak als informant aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een voor de rechtbank onbekende plaats in [land 2] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. Het procesdossier bevat de volgende stukken: het verzoekschrift van 17 februari 2025 van de Raad, met bijlagen; de op 15 mei 2025 ontvangen brieven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; de brief van 22 mei 2025 van mr. Van Reeven-Özer, met bijlagen. 1.
  2. Aan de vader is ambtshalve als advocaat toegevoegd mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk. 1.
  3. Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Van Reeven-Özer en de heer [naam 1] , tolk in de Turkse taal (met [tolknummer] ); de pleegvader; - een vertegenwoordigster namens de Raad; - een vertegenwoordigster namens de GI. De rechtbank heeft daarnaast bijzondere toegang verleend aan de heer [naam 2] en de heer [naam 3] , als begeleiders van de vader vanuit [zorgaanbieder] , om de mondelinge behandeling als toehoorders bij te wonen. 1.
  4. De pleegmoeder en de moeder zijn opgeroepen voor voormelde mondelinge behandeling, maar zij zijn niet verschenen. 1.
  5. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gelet op hun leeftijd, het recht om hun mening over het verzoek te geven. Zij hebben hun mening gegeven door een brief te sturen aan de rechtbank. 2De feiten 2.
  6. De vader is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
  7. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld van de GI en verblijven met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 januari 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor het laatst verlengd totdat hij de meerderjarige leeftijd bereikt, in dit geval [datum]
  8. Daarnaast is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het laatst verlengd tot 24 januari
  9. 2.
  10. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de pleegouders. 3Het verzoek en de onderbouwing daarvan 3.
  11. De Raad verzoekt om het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en adviseert om de GI te benoemen tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  12. De Raad heeft ter onderbouwing van voormeld verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Onder meer vanwege onveiligheid in de thuissituatie, zijn de minderjarigen in 2017 uit huis geplaatst. De minderjarigen verblijven inmiddels ruim acht jaren in het huidige pleeggezin bij de pleegouders. De GI heeft het besluit genomen dat het perspectief van de minderjarigen, oftewel bij wie de minderjarigen verder zullen opgroeien, bij de pleegouders is gelegen. De rechtbank heeft dit besluit vorig jaar onderschreven. Hoewel de minderjarigen als gevolg van dit besluit inmiddels wat tot rust zijn gekomen, zorgt het feit dat de vader is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen nog steeds voor onduidelijkheid en onrust. Zo weigert de vader nog steeds om zijn toestemming te verlenen voor het aanmelden van [minderjarige 2] voor traumabehandeling en voor het aanvragen van een paspoort voor de minderjarigen. Ook is de vader volgens de betrokken hulpverlening moeilijk bereikbaar. Doordat de vader zich niet laat informeren over de minderjarigen, weet hij ook niet met welke gezagsbeslissingen de minderjarigen het meest zijn gebaat. Daarnaast is het gezag van de vader een contra-indicatie voor het starten van traumabehandeling voor [minderjarige 2] , omdat de vader als ouder met gezag het recht heeft tot inzage in het zorgdossier, met als gevolg dat [minderjarige 2] mogelijk niet de ruimte voelt om zich volledig open te stellen en de behandeling echt aan te gaan. Zij moet tijdens de behandeling vrij uit kunnen spreken over wat er in het verleden thuis is gebeurd. Hoewel [minderjarige 1] bijna meerderjarig is, dienen er in de komende maanden voor hem een aantal belangrijke (gezags)zaken geregeld te worden, zoals het aanvragen van zorg in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). 3.
  13. De Raad stelt dat de ouders ervan overtuigd zijn dat de minderjarigen worden mishandeld door de pleegouders. De verstandhouding tussen de vader en de pleegouders is dan ook zeer moeizaam. Zij hebben momenteel geen contact met elkaar. Dit vormt niet alleen een belemmering voor het snel en adequaat kunnen regelen van belangrijke (gezags)zaken over de minderjarigen, maar ook voor contactherstel tussen de vader en de pleegouders en voor het geven van emotionele toestemming door de vader aan de minderjarigen om bij de pleegouders te (mogen) wonen. De minderjarigen hebben nu behoefte aan duidelijkheid en continuïteit. Van belang is dat er kan worden doorgepakt en de nodige (gezags)zaken over de minderjarigen geregeld kunnen worden. 3.
  14. Gelet op het voorgaande is de Raad van mening dat beëindiging van het gezag van de vader over de minderjarigen noodzakelijk is. Met het oog op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de pleegouders, adviseert de Raad om de GI te benoemen tot voogdes over de minderjarigen. De Raad heeft als bijlage bij het verzoek een door de GI ondertekende brief van 5 februari 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat de GI bereid is om te worden belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 3.
  15. Een gezagsbeëindiging hoeft volgens de Raad geen negatieve gevolgen te hebben voor de omgang tussen de vader en de minderjarigen. Momenteel hebben zij eenmaal per maand omgang met elkaar onder begeleiding van [zorgaanbieder] . Gezien wordt dat de omgang op zichzelf fijn en prettig verloopt. In de afgelopen periode is er echter niet ingezet op uitbreiding van de omgang tussen de vader en de minderjarigen, omdat de minderjarigen dit niet willen. [zorgaanbieder] blijft betrokken en bezien welke mogelijkheden er zijn bij de verdere opbouw van de omgang tussen de vader en de minderjarigen. De Raad hoopt dat [zorgaanbieder] ook nog wat kan betekenen in het herstel van het contact tussen de vader en de pleegouders. De moeder woont momenteel in [land 2] samen met haar twee jongste kinderen en is niet meer betrokken in het leven van de minderjarigen. 4De standpunten 4.
  16. Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. In de vorige beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2024 heeft de vader erkenning gekregen dat de GI onvoldoende heeft ingezet op een terugplaatsing van de minderjarigen bij de vader. Natuurlijk had de vader liever gezien dat de minderjarigen bij hem opgroeien. Maar het perspectiefbesluit is genomen en, met het oog op het tijdsverloop en de gehechtheidsrelaties die de minderjarigen hebben opgebouwd met hun pleegouders, legt de vader zich erbij neer dat een terugplaatsing van de minderjarigen niet meer aan de orde is. Tijdens de vorige zitting heeft de vader aan de GI gevraagd om zich te richten op het uitbreiden van de contacten tussen de vader en de minderjarigen. Dit heeft de GI echter helaas niet gedaan. De vader is wel tevreden met de begeleiding vanuit [zorgaanbieder] die onlangs is gestart. De vader voert verweer tegen het verzoek tot beëindiging van zijn gezag over de minderjarigen. Hij vindt het verzoek onvoldoende onderbouwd, nu de Raad naar zijn mening voornamelijk is uitgegaan van de situatie voordat de vader zich had neergelegd bij het genomen perspectiefbesluit over de minderjarigen. De vader stelt daarnaast dat hij weliswaar bereid is om in het belang van de minderjarigen (gezags)beslissingen te nemen, maar dat hij daarbij onvoldoende wordt betrokken en dat hem niet wordt uitgelegd waarvoor zijn toestemming wordt verlangd. De vader was bovendien lange tijd in de veronderstelling dat hij zijn toestemming al had gegeven voor het inzetten van traumabehandeling voor [minderjarige 2] . Vervolgens wordt de vader verweten dat hij onvoldoende meewerkt, terwijl naar de mening van de vader juist de GI een actievere rol had moeten aannemen. Nu wordt erkend dat de GI in het verleden onvoldoende heeft ingezet op een terugplaatsing van de minderjarigen bij de vader, de omgang tussen de vader en de minderjarigen onder begeleiding van [zorgaanbieder] op zichzelf positief verloopt, de vader erkent dat het perspectief van de minderjarigen bij de pleegouders is gelegen en de minderjarigen inmiddels wat tot rust zijn gekomen, vindt de vader een gezagsbeëindiging niet gerechtvaardigd. Als het verzoek wordt toegewezen, vreest de vader dat hij nog minder bij de minderjarigen wordt betrokken. Ook geeft dit hem het gevoel dat hij er als ouder niet meer toe doet. De vader verzoekt daarom om het verzoek af te wijzen. Als er goede afspraken worden gemaakt en duidelijk wordt aangegeven wat er van de vader wordt verwacht, dan is de vader ervan overtuigd dat hij het gezag over de minderjarigen op een goede wijze kan en zal blijven uitoefenen. 4.
  17. De pleegvader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Inmiddels is er al gedurende een aantal jaren geen sprake meer van contact tussen de vader en de pleegvader. De aanleiding hiervan is dat [de broer] , de oudere broer van de minderjarigen, die ook in het pleeggezin woonde, na een fysieke escalatie vanuit [de broer] richting de pleegmoeder niet langer in het pleeggezin kon blijven wonen. [de broer] is toen elders geplaatst. Sindsdien beschuldigen de ouders de pleegouders van kindermishandeling. Hoewel er nadien een poging is gedaan tot herstel van het contact tussen de vader en de pleegouders, is dit niet gelukt. De pleegvader is thans van mening dat een beëindiging van het gezag van de vader over de minderjarigen noodzakelijk is, ook al wordt het perspectief van de minderjarigen nu door de vader erkend. Dit omdat de vader niet (tijdig) meewerkt met gezagszaken over de minderjarigen. Vorig jaar hebben de pleegouders aangegeven dat de minderjarigen een nieuw paspoort nodig hebben. Dit is echter nog steeds niet geregeld vanwege het uitblijven van de toestemming van de vader. Daarnaast hebben de pleegouders de vader in september 2024 gevraagd om toestemming te verlenen voor het aanmelden van [minderjarige 2] voor traumabehandeling. Deze toestemming heeft de vader vorige week pas gegeven. Bovendien heeft de vader, aldus de pleegvader, tegen [minderjarige 2] gezegd dat hij traumabehandeling niet nodig vindt en dat hij daar om die reden niet mee zal instemmen. 4.
  18. De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI stelt dat de omgang tussen de vader en de minderjarigen momenteel wordt begeleid door [zorgaanbieder] . Dit verloopt positief. De GI heeft inmiddels ook aan [zorgaanbieder] gevraagd of zij iets kunnen betekenen in het herstel van het contact tussen de vader en de pleegouders. De pleegouders staan hier momenteel echter niet voor open, onder meer vanwege nieuwe beschuldigingen en rechtszaken. De GI stelt daarnaast dat het contact tussen haar en de vader, ondanks dat er bijstand is van een tolk of een vertaalapp, eveneens moeizaam verloopt. De GI acht een gezagsbeëindiging noodzakelijk, zodat gezagszaken (sneller) geregeld kunnen worden. Daarnaast bestaat de verwachting dat een gezagsbeëindiging bij de minderjarigen (uiteindelijk) zal leiden tot meer rust. 4.
  19. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in voormelde op 15 mei 2025 ontvangen brieven, samengevat, afzonderlijk van elkaar aangegeven dat zij het goed vinden dat de GI wordt belast met de voogdij over hen, omdat hun vader geen toestemming geeft voor het inzetten van therapie en voor het aanvragen van een paspoort of voor een vakantie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden dit vervelend, omdat zij dit nodig hebben. 5De beoordeling Gezagsbeëindiging 5.
  20. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 5.
  21. Niet gebleken is dat de vader het gezag misbruikt. De rechtbank dient daarom te beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke grondslag voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen zoals hiervoor vermeld in artikel 1:266, eerste lid, sub a BW. 5.
  22. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de minderjarigen onder meer vanwege zorgen over hun (sociaal-emotionele) veiligheid in de thuissituatie bij de ouders, in april 2017 uit huis geplaatst zijn. Inmiddels wonen zij al ruim acht jaren in het huidige pleeggezin. Dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid te dragen voor de feitelijke verzorging en opvoeding van de minderjarigen binnen een voor de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn, is door en namens de vader niet betwist. Namens en door de vader is bovendien aangegeven dat hij natuurlijk het liefste had gewild dat de minderjarigen bij hem opgroeien, maar dat hij zich erbij heeft neergelegd dat het perspectief van de minderjarigen bij de pleegouders is gelegen. 5.
  23. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de vader, in de situatie dat de minderjarigen niet bij hem wonen, in staat is om op een goede manier zijn gezag over de minderjarigen uit te oefenen en of hij dus als “ouder op afstand” in staat is om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank betrekt hierbij dat gezagsbeëindiging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van een ouder en zijn of haar kind. Op deze inmenging is artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van toepassing. Uit richtinggevende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat van een beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake kan zijn, als is gebleken dat voortzetting van de familieband, in dit geval in de vorm van een gezagsverhouding, schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of het laten voortduren van het gezag van de vader schadelijk is voor de minderjarigen. 5.
  24. De rechtbank overweegt dat belangrijke (gezags)zaken over de minderjarigen niet (tijdig) geregeld kunnen worden, zoals het aanvragen van een nieuw paspoort voor de minderjarigen of het inzetten van de hoognodige traumabehandeling voor [minderjarige 2] . Namens en door de vader is hierover aangegeven dat als de GI hem vraagt om toestemming te verlenen voor bepaalde gezagszaken, hem niet wordt uitgelegd waarvoor zijn toestemming precies wordt verlangd. De vader stelt daarnaast dat hij lange tijd in de veronderstelling was dat hij al zijn toestemming had gegeven en dat hij vervolgens niets meer van de GI heeft vernomen tot kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling in deze zaak, waarna hij direct alsnog zijn toestemming heeft verleend voor het inzetten van traumabehandeling voor [minderjarige 2] . Wat hier ook van zij, de rechtbank stelt vast, gelet op het voorgaande, dat belangrijke (gezags)zaken over de minderjarigen niet (tijdig) geregeld kunnen worden en dat (gezags)beslissingen uitblijven. Als gevolg hiervan worden de minderjarigen nog steeds feitelijk belast en benadeeld. Dat de vader pas onlangs zijn toestemming heeft verleend voor het inzetten van traumabehandeling voor [minderjarige 2] en de minderjarigen nog steeds geen nieuw paspoort hebben, is naar het oordeel van de rechtbank schadelijk voor hun verdere ontwikkeling. Daarbij geldt voor [minderjarige 2] dat zij de hoognodige traumabehandeling naar verwachting onvoldoende kan en zal kunnen aangaan zolang de vader is belast met het gezag over haar, omdat hij als gezaghebbende ouder het recht heeft tot inzage in het bijbehorende zorgdossier. Voor [minderjarige 1] geldt bovendien dat hij in november 2025 meerderjarig wordt en dat er met het oog daarop nog een aantal voor hem belangrijke gezagszaken geregeld moeten worden, zoals het inzetten van zorg in het kader van de Wlz. Het is daarom van belang dat voormelde gezagszaken thans voortvarend kunnen worden aangepakt. Het is de rechtbank daarnaast gebleken dat de verstandhouding tussen de vader als gezaghebbende ouder en de pleegouders als feitelijke verzorgers en opvoeders van de minderjarigen, ernstig is verstoord en dat er nog steeds geen sprake is van contact tussen hen. De verwachting is niet dat deze situatie binnen een afzienbare termijn voldoende zal verbeteren. Doordat de vader zich onvoldoende over de minderjarigen laat informeren, is de vader tot slot onvoldoende in staat om in te schatten met welke gezagsbeslissingen de minderjarigen het beste zijn gebaat. 5.
  25. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voortzetten van het gezag van de vader over de minderjarigen schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de minderjarigen. Hetgeen namens en door de vader is aangevoerd, doet hier niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a BW. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen, in die zin dat zij het gezag van de vader over de minderjarigen zal beëindigen. 5.
  26. Omdat de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd(es) over hen te benoemen. 5.
  27. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Gebleken is dat de GI heeft aangegeven dat zij bereid is om te worden belast met de voogdij over de minderjarigen. De rechtbank acht dit ook in het belang van de minderjarigen, omdat de GI als uitvoerder van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen reeds betrokken is bij de minderjarigen en hun systeem. Daarnaast acht de rechtbank het van belang, met het oog op de moeizame verstandhouding tussen de vader en de pleegouders, dat de voogdij wordt belegd bij een neutrale, professionele jeugdhulpinstantie als de GI. De pleegouders zijn het hiermee eens. De rechtbank zal, in lijn met het advies van de Raad, daarom de GI benoemen tot voogdes over de minderjarigen. 5.
  28. De rechtbank zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid ontstaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat die beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. 5.
  29. De rechtbank overweegt ten overvloede nog als volgt. De rechtbank hoopt dat deze beslissing (uiteindelijk) bij alle partijen zal leiden tot meer rust, met als gevolg dat er (op termijn) ruimte zal ontstaan voor herstel van het contact tussen de vader (en de moeder) en de pleegouders. Voor de minderjarigen zou het namelijk ontzettend goed zijn als de meest belangrijke personen in hun leven, namelijk hun ouders en hun pleegouders als hun feitelijke verzorgers en opvoeders, weer goed en onbelast contact met elkaar kunnen en zullen hebben. Het belang van de minderjarigen staat hierbij voorop. De rechtbank verzoekt de GI dan ook om hier aandacht voor te blijven houden, al dan niet met betrokkenheid vanuit [zorgaanbieder] . 5.
  30. De rechtbank vraagt tot slot aan de griffier van de rechtbank om van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister. 5.
  31. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De rechtbank: 6.
  32. beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedag 3] 1970 in [geboorteplaats] , [land 1] over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2007 in [geboorteplaats] , [land 1] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] , [land 1] ; 6.
  33. benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogdes over voornoemde minderjarigen; 6.
  34. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  35. vraagt aan de griffier van de rechtbank om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 door mr. Van Leuven, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.