RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/435877 / JE RK 25-960 en C/02/438214 / JE RK 25-1397 Datum uitspraak: 16 september 2025 (Nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaken van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2023, hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , en [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 1] . Als informanten worden aangemerkt: ECHTPAAR [pleegouder 1] EN [pleegouder 2], hierna te noemen de pleegouders, wonende te [woonplaats 2] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, eenheid Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1. Het (verdere) verloop van de procedure 1.1 De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de op 21 juli 2025 door hem in de zaak met het kenmerk C/02/435877 / JE RK 25-960 (inzake [minderjarige 2] ) gegeven tussenbeslissing, en de in de schriftelijke uitwerking daarvan genoemde stukken; het op 25 juli 2025 door de GI ingediend verzoekschrift, met bijlagen in de zaak met het kenmerk C/02/438214 / JE RK 25-1397 (inzake [minderjarige 1] ); de op 12 augustus 2025 van de GI ontvangen brief, met als bijlage een adviesverslag van de Raad, gedateerd 5 augustus 2025, inzake de toetsing van een voorgenomen besluit tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar in de zaak van [minderjarige 1] . 2De feiten 2.1. [minderjarige 1] is erkend door de vader. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over haar. 2.2. De vader, niet zijnde de biologische vader, en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . De biologische vader van [minderjarige 2] is niet in beeld. 2.3. Bij de door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag op 2 september 2024 gegeven beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van haar in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 september 2025. 3De (resterende) verzoeken Ten aanzien van [minderjarige 2] 3.1. Bij voormelde tussenbeslissing van 21 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd met ingang van 24 juli 2025 tot 24 juli 2026 en de machtiging tot haar uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 24 juli 2025 tot 24 oktober 2025. De beslissing over het verzoek tot verlenging van de machtiging is voor de resterende periode van negen maanden aangehouden tot de nadere mondelinge behandeling van 25 augustus 2025. Ten aanzien van [minderjarige 1] 3.2. Bij voormelde tussenbeslissing heeft de kinderrechter tevens bepaald dat de mondelinge behandeling van het resterende verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] tegelijk zal plaats vinden met de behandeling van het nog in te dienen verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van haar zus [minderjarige 1] . Daartoe heeft de kinderrechter overwogen dat de GI voornemens is om de kinderrechter binnen die procedure te verzoeken om ook ten aanzien van [minderjarige 1] het perspectief binnen hetzelfde pleeggezin te bepalen en dat het wenselijk is dat de bespreking en de bepaling van het perspectief van beide kinderen tegelijk gebeurt, nu het bij beide kinderen gaat om verblijf bij hetzelfde pleeggezin en de betrokkenheid van dezelfde GI. 3.3. Het verzoekschrift, met bijlagen in de zaak betreffende [minderjarige 1] is door de GI op 25 juli 2025 ingediend. De GI verzoekt in deze zaak de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van tien maanden. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin te verlengen met ingang van 7 september 2025 (de kinderrechter begrijpt met ingang van 18 september 2025) voor de duur van de ondertoezichtstelling en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De termijn van tien maanden is verzocht om de beschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoveel als mogelijk gelijk te laten lopen. 3.4. Tijdens de (nadere) mondelinge behandeling van de zaken met gesloten deuren op 25 augustus 2025 waren aanwezig: - de moeder; - de vader, bijgestaan door een tolk in de Duitse taal, met [tolknummer]; - de pleegouders; - een vertegenwoordigster van de GI; - een vertegenwoordigster van de Raad. Daarbij is bijzondere toegang verleend aan de heer [naam], begeleider van de moeder. 4Het standpunt van de GI 4.1. Door de GI is schriftelijk en mondeling aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder is bekend met een licht verstandelijke beperking, dat zij daarnaast is gediagnostiseerd met PTSS, ADHD en ASS en dat er bij haar sprake is van depressieve episodes en dissociatieve krampaanvallen. Tijdens haar minderjarigheid is de moeder onder toezicht gesteld en heeft zij in verschillende instellingen in Nederland en Duitsland verbleven. De vader is ook bekend met een licht verstandelijke beperking. Hij heeft een belaste voorgeschiedenis. In het verleden is bij hem een aandachtstoornis en depressie geconstateerd. De vader heeft zijn jeugd grotendeels doorgebracht op woongroepen. De ouders beschikken niet over werk of inkomen en zij hebben onvoldoende financiële middelen om in hun eigen levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien. Daarnaast is sprake van een verstoord, selectief en ongezond eetpatroon. Ook blijkt het bewaken van een gezond dag- en nachtritme voor de ouders een uitdaging. Zij hebben intensieve begeleiding nodig bij het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven. 4.2. [minderjarige 1] is vanwege haar vroeggeboorte kort na de bevalling ter observatie in het ziekenhuis opgenomen. De moeder heeft vóór en tijdens haar zwangerschap gerookt, wat de groei van [minderjarige 1] in de baarmoeder negatief heeft beïnvloed. Er zijn nog steeds zorgen over middelengebruik door de moeder. Ook heeft zij eerder laten zien dat zij onvoldoende in staat is om weloverwogen beslissingen te nemen en de gevolgen van haar keuzes te overzien. Daarnaast lukt het haar onvoldoende om haar impulsen te reguleren; ze kan verbaal agressief zijn en voorwerpen vernielen. Tevens heeft de moeder in de afgelopen periode regelmatig begeleiding geweigerd of relevante informatie achtergehouden voor de betrokken hulpverleners. Op 7 september 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, waarna [minderjarige 1] in een pleeggezin is geplaatst. Sindsdien is er sprake van omgang tussen [minderjarige 1] en haar ouders. [minderjarige 1] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt, wat haar kwetsbaar maakt in haar gehechtheidsontwikkeling. Juist daarom is het van belang dat zij kan rekenen op een vaste, vertrouwde opvoeder die haar voorspelbaarheid, veiligheid en rust biedt. 4.3. [minderjarige 2] is een dag na haar geboorte geplaatst bij het huidige pleeggezin. Zij is nog een zeer jonge baby, die voor haar veiligheid en ontwikkeling volledig afhankelijk is van haar opvoeders. [minderjarige 2] werd al tijdens de zwangerschap blootgesteld aan onveilige situaties door overmatig alcoholgebruik, roken en stress door de moeder en huiselijk geweld tussen de ouders. Niet bekend is wie de biologische vader van [minderjarige 2] is. Na de geboorte van [minderjarige 2] is er veel onrust en onveiligheid in haar leven geweest. Met het oog op haar jonge leeftijd heeft [minderjarige 2] het nodig dat er een vaste en vertrouwde opvoeder aanwezig is. 4.4. In het afgelopen jaar van de ondertoezichtstelling is voor beide kinderen gewerkt aan de volgende doelen: I. zij hebben een beschikbare opvoeder waar zij aan zijn gehecht, die goed op hen reageert; II. zij hebben een prettig contact met hun beide ouders. 4.5. Doel I is deels behaald. [minderjarige 2] maakte in de eerste vier maanden van haar leven weinig contact, zij reageerde amper op prikkels en geluiden en kwam vlak over. De laatste periode lijkt ze hier iets in te groeien en maakt ze [de moeder] contact met haar pleegouders. Ook werd gezien dat [minderjarige 2] snel kon schrikken van 'normale' geluiden, zoals hoesten of niezen, wat kan duiden op een bovengemiddelde stressreactie en een hyperactief stresssysteem. Verder had zij moeite met slapen. De pleegouders merkten dat zij rustiger werd van inbakering. Dit passen zij nog steeds toe. Ook zagen de pleegouders dat [minderjarige 2] snel rustig werd wanneer zij werd geknuffeld, waarna door hen is geïnvesteerd in [de moeder] huid-op-huid contact. Duidelijk is geworden dat het voor [minderjarige 2] belangrijk is dat zij opvoeders heeft die sensitief en responsief zijn, die op een rustige manier met haar en met elkaar omgaan en haar beschermen voor volwassenenproblematiek. De pleegouders komen hun afspraken na, zij tonen zich transparant en zijn benaderbaar in het contact met de betrokken hulpverlening. Zij staan ook open voor feedback vanuit de pleegzorg en de jeugdzorgwerker en zij werken constructief mee aan de omgang met de ouders. De kinderen ogen schoon, verzorgd en gezond. [minderjarige 1] toont zich vrolijk en actief. Binnen het pleeggezin is voldoende speelgoed aanwezig en er wordt een opvoedklimaat geboden dat rust, structuur en regelmaat kent. Ook ondernemen de pleegouders regelmatig activiteiten met de kinderen en hechten zij waarde aan het creëren van rijke ontwikkelervaringen. De door de pleegouders gehanteerde opvoedstijl wordt door de jeugdzorgwerker als sensitief en responsief beoordeeld. Ook vinden er structureel gesprekken plaats over thema’s zoals seksuele veiligheid en de verzorging, zoals het verschonen, van de kinderen. De pleegouders beschikken over een groot sociaal netwerk, wat hen ondersteuning en ontlasting kan bieden bij opvoeduitdagingen. De jeugdzorgwerker beschouwt de opvoedsituatie bij de pleegouders als veilig, stabiel en perspectief biedend voor beide kinderen. De jeugdzorgwerker en/of de pleegzorgwerker begeleiden de contactmomenten tussen de kinderen en de ouders met als doel de opvoedvaardigheden van de ouders in beeld te brengen en een opbouwende gehechtheidsrelatie tussen hen te bevorderen. Gezien wordt dat de ouders veel liefde tonen naar de kinderen en dat zij hen proberen te troosten wanneer dat nodig is. Met name de moeder praat veel met de kinderen en zij komt goed voorbereid naar de bezoeken, bijvoorbeeld met een fruithapje of een klein cadeautje zoals een armbandje. Ook wordt fysiek contact gezocht met de kinderen en actief geïnvesteerd in verzorgende taken, zoals het geven van een tussendoortje of het verschonen van een luier. Tegelijkertijd laten de ouders zien dat zij onvoldoende adequaat weten aan te sluiten bij de signalen en behoeften van de kinderen. In plaats van veelvuldig op schoot worden gehouden en geknuffeld te worden laat [minderjarige 1] duidelijk blijken dat zij er behoefte aan heeft om rond te kruipen en te spelen. Waar het [minderjarige 2] betreft blijkt het voor de ouders lastig om aan te voelen wat zij eigenlijk bedoelt als zij huilt. Zo zegt de moeder dat [minderjarige 2] huilt omdat zij haar moeder mist in plaats van dat de moeder inziet dat [minderjarige 2] moe is of honger heeft. Ook blijken de ouders moeite te hebben met het opvangen van de signalen van [minderjarige 2] , zoals wanneer zij laat blijken dat zij om zich heen wil kijken in plaats van te worden geknuffeld. Nadat door drie organisaties een opdracht tot perspectiefonderzoek was afgewezen, omdat de ouders destijds geen vaste woonplek hadden is door [pleegzorgorganisatie] op basis van de omgangsmomenten en de beschikbare informatie een advies uitgebracht over het perspectief van de kinderen. Dit advies luidt dat er in de jonge levens van beide kinderen nog onvoldoende verbetering wordt gezien in de opvoedsituatie van de ouders, waardoor zij geen stabiele omgeving kunnen bieden. Hierdoor is een terugplaatsing op dit moment niet mogelijk. De ouders wonen, nadat zij langere tijd niet over een vaste woonplek hebben beschikt, sinds 20 februari 2025 in een woongroep in [woonplaats 1] , waar zij intensieve begeleiding ontvangen. Duidelijk is gebleken dat de ouders voortdurende ondersteuning nodig hebben bij hun algemene dagelijkse verzorging en levensverrichtingen en bij het aanbrengen van structuur in hun leven. Wel lukt het de ouders redelijk om een voor hen opgestelde dagplanning te volgen. Zij ervaren slaapproblemen, mogelijk veroorzaakt door epilepsie of stress. Daardoor vermindert hun concentratie, wat het moeilijk maakt om sensitief en responsief op de kinderen te reageren. Verder wordt gezien dat, hoewel de ouders meewerken met de pleegzorgwerkers, er voor hen veel herhalingen van instructies nodig zijn. De ouders voeren uiteindelijk wel de gevraagde handelingen uit, maar het lijkt hen niet te lukken om op eigen initiatief goed aan te sluiten bij de ontwikkelbehoeften van beide kinderen; zij hebben daarbij duidelijk ondersteuning nodig. De ouders leren weliswaar, maar zij houden onvoldoende rekening met de snelheid waarin de kinderen zich ontwikkelen. Door de pleegzorgwerker, de jeugdzorgwerker en de ouders zijn gezamenlijk de bodemeisen besproken om de zorgen, krachten en voorwaarden voor een mogelijke terugplaatsing in kaart te brengen. Daaruit is geconcludeerd dat er nog te veel risico’s zijn verbonden aan een eventuele terugplaatsing van de kinderen naar huis en dat er nog veel verbeteringen nodig zijn voordat een terugplaatsing verantwoord is. 4.6. Doel II is deels behaald. De contactmomenten tussen de kinderen en de ouders worden als voldoende veilig beoordeeld. Bij deze momenten is altijd hulpverlening en minimaal één van de pleegouders aanwezig ter ondersteuning van de ouders. Op deze manier dragen de ouders nooit alleen de volledige verantwoordelijkheid. Momenteel zien de kinderen de ouders eenmaal per twee weken gedurende een uur. Tijdens de bezoeken met de ouders tonen de kinderen weinig reactie. De ouders spelen vooral met [minderjarige 1] en zij knuffelen met [minderjarige 2] . Zij lijken moeite te hebben om in hun basisbehoeften te voorzien, zoals het geven van een fles of het aantrekken van schoenen. Daarnaast stellen zij weinig vragen over de ontwikkeling van de kinderen. Ook geven de ouders aan het einde van de bezoeken te kennen erg moe te zijn. Momenteel vertonen de kinderen geen opvallend gedrag zowel tijdens als na de contactmomenten. De ouders geven aan graag vaker contact met de kinderen te willen, bij voorkeur wekelijks. 4.7. Nu alle doelen nog niet volledig zijn behaald betekent dit dat de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Ook is er nog geen duidelijk perspectief. De ouders beschikken weliswaar inmiddels over een eigen woonvorm met intensieve begeleiding, maar zij moeten nog veel aan zichzelf werken voordat zij voor deze jonge en kwetsbare kinderen kunnen zorgen. Gezien de complexe psychiatrische problematiek wordt verwacht dat zij dit op korte termijn niet kunnen waarmaken. Een plaatsing in een moeder-kindhuis wordt, gezien de jonge leeftijd van beide kinderen en de problematiek van de ouders, als te risicovol beschouwd. Daarnaast verwacht de GI dat een vrijwillige aanpak niet passend is, aangezien de moeder in het verleden heeft laten zien niet altijd mee te willen werken met de hulpverlening of heeft aangegeven geen hulpvraag te hebben. 4.8. De jeugdzorgwerker concludeert dat, ondanks diverse vormen van hulpverlening die zijn ingezet, er in de afgelopen jaren onvoldoende vooruitgang is geboekt zowel ten aanzien van de opvoedvaardigheden als de persoonlijke ontwikkeling van de ouders. De leefomstandigheden van de ouders zijn instabiel en hun problematiek is complex, de samenwerking met de hulpverlening verloopt moeizaam en leidt niet tot het gewenste resultaat. Bij beide ouders lijkt niet zozeer sprake van onwil, maar veeleer van onmacht. Indien de kinderen nu bij de ouders zouden komen te wonen worden zij zeer ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. In de opvatting van de jeugdzorgwerker hebben de ouders ruim voldoende tijd gekregen om verandering te realiseren en hebben de kinderen nu behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. De aanvaardbare termijn hiervoor is bij beide kinderen inmiddels verstreken. 4.9. De GI handhaaft met voormelde toelichting al haar verzoeken ten aanzien van beide kinderen. Toewijzing van deze verzoeken acht de GI in het belang van beide kinderen om eraan te kunnen (blijven) werken dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.