← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2025:6644

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummers: C/02/435996 / FA RK 25-2786 (meerderjarigverklaring; benoeming voogd); C/02/438206 / FA RK 25-3884 (voorlopige voogdij) datum uitspraak: 24 juli 2025 beschikking over meerderjarigverklaring, benoeming voogd en voorlopige voogdij in de zaken van [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout, en RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, over het ongeboren [kind], hierna te noemen: het kind. Als belanghebbende in deze zaken wordt aangemerkt: [de moeder] , hierna: de moeder (van [minderjarige] ), wonende in [woonplaats 1] . Als informanten in deze zaken worden aangemerkt: [naam] , hierna: [naam] , wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. M.A.V. Daansen te ’s-Hertogenbosch, [de vader] , hierna: de vader (van [minderjarige] ), wonende in [woonplaats 3] , STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). 1Het procesverloop 1.1 Het procesverloop inzake C/02/435996 / FA RK 25-2786 bestaat uit de volgende stukken: het op 28 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met begeleidend schrijven en bijlagen; het bericht van mr. Joosen van 2 juni 2025; het F9-formulier met bijlage van mr. Joosen van 24 juni 2025; het bericht van mr. Daansen van 17 juli 2025; het bericht van de griffier aan mr. Daansen van 17 juli 2025; het bericht van de voormalige advocaat van de vader van [minderjarige] , mr. Koop-Van Vliet, van 22 juli 2025; het bericht van de griffier aan mr. Koop-Van Vliet van 17 juli 2025; het F2-formulier van mr. Koop-Van Vliet van 23 juli

  1. 1.2 Het procesverloop inzake C/02/438206 / FA RK 25-3884 bestaat uit de volgende stukken: - het mondelinge verzoek van de Raad van 24 juli 2025, schriftelijk bevestigd in het verzoekschrift met bijlagen van diezelfde datum. 1.3 Op 24 juli 2025 zijn de verzoeken van [minderjarige] om haar meerderjarig te verklaren en haar moeder met de voogdij te belasten (C/02/435996 / FA RK 25-2786) behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord: [minderjarige] en haar advocaat, de moeder van [minderjarige] , [naam] en zijn advocaat en de vader van [minderjarige] . Tevens was een medewerkster namens de Raad aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad mondeling verzocht om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over het nog ongeboren kind. De rechtbank heeft op diezelfde dag de schriftelijke bevestiging van dit mondelinge verzoek ontvangen en gekenmerkt onder zaaknummer C/02/438206 / FA RK 25-
  2. De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling van 24 juli
  3. In deze beschikking wordt in beide zaken beslist. 2De feiten 2.1 [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats]. Zij is vijftien jaar en is dus nog minderjarig. 2.2 [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij haar moeder. De vader heeft [minderjarige] niet erkend. De moeder voert van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uit. 2.3 [minderjarige] is zwanger en in verwachting van een dochter. De uitgerekende datum is [datum 1]
  4. 2.4 [naam] is de biologische vader van het nog ongeboren kind maar heeft het nog ongeboren kind nog niet erkend. [naam] is eveneens minderjarig. 3De verzoeken Inzake C/02/435996 / FA RK 25-2786 3.1 [minderjarige] verzoekt om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad: I. haar, zodra zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, meerderjarig te verklaren; II de moeder van [minderjarige] , vanaf de geboorte van het kind tot het moment dat [minderjarige] de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, met de voogdij over het kind te belasten, dan wel voor een periode zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen. Inzake C/02/438206 / FA RK 25-3884 3.2 De Raad verzoekt om de GI met de voorlopige voogdij over het nog ongeboren kind te belasten. De maatregel is volgens de Raad dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over het nog ongeboren kind te voorzien. 3.3 De Raad heeft de rechtbank in dit verband verzocht om het nog ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan te merken, omdat het belang van het kind dit vordert. 3.4 De Raad verzoekt om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.1 Door en namens [minderjarige] is aangevoerd dat op korte termijn in het gezag moet worden voorzien, omdat zij [datum 2] in het ziekenhuis wordt verwacht om de bevalling in te laten leiden. Het is in het belang van [minderjarige] en het kind om [minderjarige] vanaf haar zestiende verjaardag meerderjarig te verklaren op grond van artikel 1:253ha BW. [minderjarige] is namelijk voldoende zelfstandig om het gezag over het kind uit te oefenen. Zij is voorbereid op de komst van het kind en behoudt haar stabiele basis bij haar moeder en haar oudere zus. Er is een babykamer ingericht en er is een voorzorgverpleegkundige betrokken. De voorzorgverpleegkundige zal betrokken blijven tot het kind tweeënhalf jaar oud is. Daarnaast is nagedacht over de opvang van het kind en zal [minderjarige] veranderen van onderwijs waardoor zij meer thuis is om voor het kind te zorgen. Bovendien heeft [minderjarige] nog steeds een relatie met [naam] en wil zij dat [naam] en zijn ouders een actieve rol in het leven van het kind krijgen. Voor de periode vanaf de geboorte tot het moment dat [minderjarige] de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, verzoekt [minderjarige] haar moeder met de voogdij over het kind te belasten op grond van artikel 1:253q BW. [minderjarige] acht het in het belang van het kind dat de moeder de voogdij gaat uitoefenen vanwege haar betrokkenheid en omdat [minderjarige] met het kind bij de moeder in huis zal gaan wonen. De moeder werkt daarbij parttime en is in staat om [minderjarige] te ondersteunen bij de opvoeding. [minderjarige] betwist de zorgen die [naam] en de vader van [minderjarige] hebben geuit. Deze zorgen zijn onvoldoende concreet en te laat aangevoerd. Gelet op het voorgaande verzoekt [minderjarige] om haar verzoeken toe te wijzen. Subsidiair gaat [minderjarige] akkoord met het verzoek van de Raad om een neutrale instantie als voogd te benoemen en een raadsonderzoek te gelasten. Zij verzoekt in dat geval de beslissing op haar verzoeken aan te houden. 4.2 De moeder van [minderjarige] heeft aangevoerd dat zij de verzoeken van [minderjarige] ondersteunt. Zij wenst dat [minderjarige] zo snel mogelijk meerderjarig wordt verklaard zodat zij zelf de verantwoordelijkheid over het kind kan dragen. [minderjarige] is hiertoe in staat en wordt bovendien intensief begeleid door een voorzorgverpleegkundige. Totdat [minderjarige] zestien jaar oud is, is de moeder bereid de voogdij op zich te nemen. Zij zal bevorderen dat [naam] en zijn ouders worden betrokken in het leven van het kind. De geuite zorgen over haar thuissituatie betwist de moeder nadrukkelijk. Er is geen sprake van schuldenproblematiek of gebrek aan hygiëne. 4.3 Door en namens [naam] is aangevoerd dat hij twijfelt of de verzoeken van [minderjarige] in het belang van het kind zijn. [naam] maakt zich zorgen over het gebrek aan hygiëne in de thuissituatie van [minderjarige] en over de financiële situatie van [minderjarige] en haar moeder. [naam] wenst na de geboorte contact met het kind maar vreest dat hij en zijn ouders buitengesloten zullen worden. Nu de zwangerschap vordert merkt hij al dat hij steeds meer op afstand wordt gehouden. Gelet op het voorgaande verzoekt [naam] het advies van de Raad te volgen en een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of [minderjarige] volwassen genoeg is om meerderjarig verklaard te worden en of de thuissituatie van [minderjarige] voldoende veilig is voor het nog ongeboren kind. Totdat de resultaten van het onderzoek bekend zijn, dient een neutrale jeugdbeschermer als voogd te fungeren. 4.4 Door de vader van [minderjarige] is aangevoerd dat hij het advies van de Raad volgt. Hij heeft zorgen over de opvoeding van het kind in de thuissituatie van [minderjarige] . Ook maakt de vader zich zorgen om [minderjarige] . Zij heeft begeleiding nodig om met haar kind haar leven vorm te gaan geven onafhankelijk van de moeder van [minderjarige] . De vader had het liefst gezien dat hij samen met de moeder van [minderjarige] de voogdij over het kind had kunnen delen, maar dat is niet mogelijk gebleken. 4.5 De Raad heeft geadviseerd een raadsonderzoek te gelasten naar de invulling van het gezag over het kind. Duidelijk is dat er veel tussen [minderjarige] en [naam] speelt. Zij geven aan nog een relatie te hebben maar de spanningen tussen hen zijn voelbaar. Ook is gebleken dat er spanningen zijn tussen de familie van [minderjarige] en (de familie van) [naam] . Daar komt bij dat [naam] ter zitting zijn zorgen over de thuissituatie van [minderjarige] heeft geuit. Voordat geadviseerd kan worden over de verzoeken van [minderjarige] , is daarom een onderzoek nodig. Om een gezagsvacuüm gedurende het onderzoek te voorkomen, ziet de Raad zich genoodzaakt om mondeling een voorlopige voogdijmaatregel te verzoeken. De komst van het kind gaat veel onrust met zich meebrengen. Voorkomen moet worden dat het kind hiermee wordt belast. Het is dan ook in het belang van het kind noodzakelijk dat een neutrale derde beslissingen kan nemen totdat de Raad heeft onderzocht welke gezagsvoorziening in het belang van het kind is. 5De beoordeling Inzake C/02/435996 / FA RK 25-2786 Wettelijk kader meerderjarigverklaring 5.1 Op grond van artikel 1:253ha lid 1 BW kan de minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden, indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de rechtbank verzoeken haar meerderjarig te verklaren. Op basis van lid 3 kan het verzoek ook voor de bevalling door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist. De kinderrechter willigt het verzoek slechts in indien zij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt. Wettelijk kader benoeming voogd 5.2 Artikel 1:295 BW bepaalt dat de rechtbank een voogd benoemt over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien. De rechtbank benoemt op grond van artikel 1:299 BW de voogd onder andere op verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige. Beoordeling 5.3 Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van [minderjarige] . Hoewel de rechtbank wil aannemen dat [minderjarige] en haar moeder zich hebben voorbereid op de komst van het kind, hebben [naam] en de vader van [minderjarige] hun zorgen geuit over de opvoedsituatie bij [minderjarige] . De rechtbank kan op basis van de voorhanden zijnde informatie niet vaststellen in hoeverre deze zorgen actueel zijn. Daarvoor is onderzoek nodig door de Raad. Daarnaast is ter zitting gebleken van spanningen tussen [minderjarige] en haar moeder enerzijds en (de familie van) [naam] anderzijds. De komst van het kind gaat een hoop veranderingen met zich meebrengen die ook de nodige spanningen tot gevolg kunnen hebben. Voorkomen moet worden dat het kind belast wordt met die spanningen. 5.4 Gelet op voornoemde omstandigheden zal de rechtbank het advies van de Raad volgen en een raadsonderzoek gelasten om de rechtbank te adviseren over de vraag op welke wijze in het gezag of de voogdij over het kind dient te worden voorzien. De rechtbank acht deze informatie noodzakelijk om tot een weloverwogen beslissing op de verzoeken van [minderjarige] te komen. 5.5 De Raad wordt verzocht om uiterlijk op de hierna in het dictum te noemen pro forma datum óf zoveel eerder als mogelijk, een rapport in te dienen omtrent de resultaten van het onderzoek, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van [minderjarige] en aan de belanghebbenden, die vervolgens door de rechtbank ofwel schriftelijk ofwel bij een nadere mondelinge behandeling in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren. Inzake C/02/438206 / FA RK 25-3884 Wettelijk kader voorlopige voogdij 5.6 De rechtbank kan op grond van artikel 1:241, tweede lid, BW op verzoek van onder meer de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. Op grond van artikel 1:2 BW kan de rechtbank voorts het nog ongeboren kind als reeds geboren aanmerken indien het belang van het nog ongeboren kind dit vordert. Beoordeling 5.7 De rechtbank zal allereerst, onder toepassing van artikel 1:2 BW, het nog ongeboren kind als reeds geboren aanmerken nu het belang van het nog ongeboren kind dit vordert. 5.8 Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, oordeelt de rechtbank dat de verzochte maatregel van voorlopige voogdij dringend en onmiddellijk noodzakelijk is om de belangen van het kind te kunnen behartigen. De rechtbank overweegt hierbij dat ten gevolge van de aangehouden verzoeken van [minderjarige] , sprake is van een gezagsvacuüm ten aanzien van het kind. Gelet hierop is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het in het belang van het kind is dat Stichting Jeugdbescherming Brabant met de voorlopige voogdij over het kind wordt belast. Op deze manier kunnen belangrijke beslissingen over het kind worden genomen en heeft de Raad de gelegenheid om onderzoek te verrichten en te adviseren over de vraag op welke wijze in het gezag of de voogdij over het kind dient te worden voorzien. 5.9 Gelet op artikel 1:241, vierde lid, BW vervalt deze maatregel van rechtswege na drie maanden, gerekend vanaf 24 juli 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechter een voorziening in het gezag over het kind is verzocht. 5.10 De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. 5.11 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De rechtbank Inzake C/02/435996 / FA RK 25-2786 6.1 houdt de verdere behandeling van de verzoeken aan tot 10 oktober 2025 PRO FORMA in afwachting van het raadsonderzoek en de rapportage van de Raad zoals beschreven in rechtsoverweging 5.5; 6.2 behoudt zich iedere verdere beslissing voor; Inzake C/02/438206 / FA RK 25-3884 6.3 beschouwt het nog ongeboren kind als geboren; 6.4 belast Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met de voorlopige voogdij over het nog ongeboren [kind]; 6.5 stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 24 oktober 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over het nog ongeboren [kind] is verzocht: de voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist; 6.6 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.7 verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van de beslissing in het centraal gezagsregister. Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Struijs, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025 in tegenwoordigheid van mr. Van der Linde, griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld op 5 augustus
  5. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.